Adel

 

(Aristocraten zijn we allemaal, August Strindberg)

 

Adel verplicht (tot niets)

 

Het gaat uitstekend met de Nederlandse adel, lees ik tot mijn genoegen. In de rancuneuze jaren zeventig durfden edellieden bij sollicitaties niet eens hun titel te vermelden; een enkele ziel heeft toen zelfs via de rechter zijn jonkheerschap laten schrappen. Inmiddels bewegen zij zich weer soepel door de samenleving, - met een zelfvertouwen, heb ik gemerkt, dat als het ware aan het zelfvertrouwen voorafgaat. Voor wie nooit in de gelegenheid is geweest deze bijna landerige vanzelfsprekendheid omtrent het eigen ik te bestuderen: ook kinderen van Bekende Nederlanders zijn er dikwijls mee behept.

 

baronvanhellenberg

Silhouet van Godefridus Domenicus baron van Hellenberg (1761 - 1817). Ooit telde Nederland zeshonderd adellijke families, inmiddels 285

 

Hoezeer het nobele aanzien is verbeterd toont Jort Kelder met zijn tv-serie Hoe heurt het eigenlijk? In elke aflevering mag een kleurrijke edelman opdraven, al heb ik nooit  begrepen waarom. Het betreft steevast aangename lieden met stijl, die op hun slechtverwarmde kasteeltje de eindjes aan elkaar knopen en toch veel liefdadigheid bedrijven. Prima, maar wie moeten zij tot voorbeeld strekken? Ik kan slechts één doelgroep bedenken: de Oranjes, die inderdaad wat meer ingetogenheid aan de dag zouden mogen leggen (al betwijfel ik of het volk dat wil).

Mij verraste het eigenlijk dat de adel er weer bovenop is. Natuurlijk, het grote voordeel van adel is dat een ooit verworven positie voor altijd vastligt. Nazaten zullen niet gauw in de anonieme massa terugzakken, al heeft dat soms wel gedreigd. Zo is er het verhaal van jonkheer Frits van Coeverden die in de jaren twintig van de vorige eeuw als gewone arbeider - apprêteerder om precies te zijn - werkte in de Twentsche Stoombleekerij te Goor. Op een dag stapte hij vertwijfeld naar de burgemeester van zijn dorp met de vraag: 'Hoe kom ik eigenlijk aan die titel jonkheer?' En inmiddels is hij weer volwaardig lid van wat het alleroudste inheemse adelgeslacht is.  

De industriële bourgeoisie daarentegen, die Nederland welvarend heeft gemaakt, zal over enkele decennia grotendeels uit beeld zijn verdwenen. Menig fabrikantenfamilie is voortijdig ten val gekomen door oedipale conflicten, die bij de adel zelden hoog oplopen doordat vaders en zonen uit dezelfde stabiele statusbron putten. Fabrikanten huwen ook minder verstandig, is mijn indruk. Hun eerste generatie kent doorgaans zeer sterke vrouwen, hun tweede al minder en de zoontjes van de derde generatie gaan achter de knapste meisjes van school aan, wat zelden de slimsten zijn. In ieder geval is in hun kringen de fatale drieslag van wervers, ervers en dervers een bekend patroon. De adel daarentegen weet zelfs zwarte schapen in het gareel te houden en de familie als geheel extra jeu te laten bezorgen. Desondanks is het met deze stand de laatste vijfhonderd jaar voornamelijk bergafwaarts gegaan. 

 

Republica Res


Westerlingen kijken raar aan tegen het feit dat Australische aboriginals geen landbezit kennen - het land bezit hen, is hun idee. Wezenlijk even raar echter is de consequentie van ons systeem: land kan toebehoren aan mensen die er zelf niet op wonen. Mijn geboorteplaats Helmond bijvoorbeeld heeft eeuwenlang absentee landlords uit de zuidelijke Nederlanden gehad die niet eens de moeite namen hun neus te laten zien. Zelfs totale vreemden kunnen eigenaren worden. Van het handvol monarchieën dat Europa nog telt heeft alleen Denemarken een inheemse koninklijke familie; de andere families zijn pure import, die tot tweehonderd jaar geleden niet eens de taal van hun land spraken. Het lot kan wat dit betreft voor akelige verrassingen zorgen. Als koningin Wilhelmina geen kind had gebaard, was onze kroon in handen gevallen van de berooide Duitse prins Henry Reuss, die zich tot nazi zou ontpoppen.

Enfin, dit bij wijze van inleiding.

De Nederlandse adel bestond eigenlijk al voordat Nederland bestond. Sterker nog, het verenigd Europa bestond al voordat Europa bestond. Maar laten we voorbijgaan aan het tijdperk waarin burgers nog niet meetelden en beginnen met de vorming van de Nederlandse natie, waarin ettelijke edelen ontegenzeggelijk een doorslaggevende rol hebben vervuld. We kennen de namen: de graven van Egmont en Horne, Willem van Oranje en de helaas vroeg overleden Hendrik van Brederode, de Grote Geus die als eerste tegen de Spaanse koning ten strijde trok en een verlicht man was. Hij pleitte voor echte godsdienstvrijheid, wat tevens inhield dat hij in zijn woonplaats Vianen de Beeldenstormers aftroefde door tijdig alle kerkschatten naar zijn kasteel te laten overbrengen.

 

koningshuis

Een groot deel van de Koninklijke Familie tijdens Koningsdag 2016 in Dordrecht. Ooit zal dit de enige adellijke familie van Nederland zijn. Nos/Anp

 

Hendrik's tolerantie stond niet bij iedereen hoog in het vaandel. Zijn neef Lumey was persoonlijk verantwoordelijk voor de walgelijke moord op de negentien Martelaren van Gorcum - eenvoudige geestelijken die alleen aan de strop konden ontkomen als zij hun geloof publiekelijk hadden afgezworen. Eveneens een weinig fraai heerschap: Floris I van Pallandt, graaf van Culemborg, die zelf aan de vernielingen in de Barbarakerk deelnam en tijdens een bacchantisch Laatste Avondmaal zijn papagaai de hostie voerde.

Na de Alteratie van 1578 was niettemin een deel van de adel aan de verkeerde kant van onze geschiedenis terechtgekomen: de katholieke kant. In haar mooie boek Hoog geboren besteedt Ileen Montijn weinig aandacht aan het onderscheid binnen de adel tussen katholieken en protestanten, wat mij bevreemdt, want in een protestants land mag je verwachten dat de meerderheid ervan die religie is toegedaan. Dat was aanvankelijk echter beslist niet het geval.

 

aristocratie

Amsterdamse spotprent, 1795: Aristocraten moeten hun pruik, sinds een eeuw in zwang bij de elite, inleveren. In Engeland heeft een dergelijke gebeurtenis nooit plaats gevonden; vandaar dat magistraten er nog pruiken dragen. (Atlas van Stolk) 

 

Ooit heb ik de archieven van het R.C. Maagdenhuis en het R.C. Jongensweeshuis in Amsterdam bestudeerd en onder de regenten daarvan trof ik de fraaiste titels aan: de burggraven Roest van Alkemade, de graven van Sluipwijk Moens, de baronnen van Wijkerslooth van Grevenmachern - allemaal geslachten die niet waren gevallen voor de nieuwe leer. Als ik het moet zeggen dan hoort adel ook bij een katholieke standenmaatschappij. Protestantse adel, zeker in Nederland, heeft iets hypocriets, want de leden ervan hebben ooit ingestemd met calvinistische heethoofden die qua levensstijl hun spiegelbeeld vertegenwoordigden.

De trouw aan Rome eiste intussen een zware tol, ook van gewone katholieken trouwens. Zij hadden in Nederland tot 1795 een Berufsverbot met betrekking tot openbare ambten en werden daardoor tot een bestaan in de marge gedwongen. In de genoemde archieven stuitte ik op enkele uiterst ontwikkelde en kapitaalkrachtige regenten, die in Brugmans' Geschiedenis van Amsterdam niet eens als schaduw passeren. Wat een verspilling van talent!

Menig katholieke adellijke familie verhuisde hierom ten tijde van de Republiek naar de Zuidelijke Nederlanden, zoals Van Zuylen van Nyevelt van de Haar. De waarheid gebiedt te erkennen dat ook de protestantse adel de wind niet mee had. Volgens Montijn behielden individuele edelen wel degelijk functies in de Haagse hofhouding en in provinciale besturen, maar omdat er nimmer Blauw Bloed bijkwam begon het lange uitsterven. In 1795 leek de genadeklap te volgen. De Patriotten schaften de standen af, waarmee de adelstand verwerd tot adeldom, titulaire franje.

 

Een vloed van edelen

 

Het tij keerde toen Nederland de nog altijd bizarre omslag van een republiek naar een koninkrijk maakte, eerst onder Lodewijk Napoleon en vervolgens onder Willem I. Overeenkomstig het idee dat een koning uit de adel dient voort te komen schonk Willem I de leden ervan het exclusieve recht om de Eerste Kamer te bemannen, wat tot 1848 heeft geduurd. Tegelijkertijd verstrekte hij ruim vierhonderd families adelsdiploma's; later zouden er nog eens honderd volgen. Nota bene: de adel van voor die tijd bestond uit amper honderd families.

Wat mij zou interesseren is of bepaalde categorieën bij de nobilitatie zijn voorgetrokken. Ingewijden melden dat minder dan tien procent van de huidige adel katholiek is, wat geenszins in verhouding staat met hun aandeel in de bevolking (ooit veertig procent). Nederland kennende zullen ook joden nauwelijks in aanmerking zijn gekomen voor benoeming, erkenning, inlijving of verheffing. Fabrikanten zijn eveneens stiefmoederlijk bedeeld, zeker als zij tot een minderheid behoorden, wat dikwijls het geval was. De familie Regout uit Maastricht heeft tevergeefs naar een titel gedongen, hoewel in Engeland een kruidenier als lord Sainsbury dat al lukte.

In plaats daarvan: oude kooplui, want Nederland is godlof een handelsnatie. Verder: diplomaten, legerofficieren en rechters. Mijn persoonlijke indruk is dat onevenredig veel verzekeraars zijn uitverkoren. Ik heb een tijdje nabij de Utrechtse Heuvelrug gewoond en daar stikte het van de nobele formulierenschuivers: uitermate deftig, met namen die klonken als kerkklokken, alleen had niemand die ooit horen beieren.

 

wapen.jpg

Familiewapens De Jager. Eens ontmoette ik een naamgenoot met zo'n wapen, waarop ik vroeg: 'Hoe kom jij daar nou aan?' Hij had het gehaald uit een Frans boek en beweerde bij hoog en bij laag dat iedereen daaruit een keuze mocht maken, want alleen adellijke wapens zijn beschermd. Aha, sindsdien komt mijn familie uit Gand (Gent). 

 

Er hadden beduidend meer edelen kunnen zijn als niet diverse kandidaten voor de eer hadden bedankt. Ik ken geen Nederlands voorbeeld van de overtuigde bourgeois, zoals Alfred Krupp in Duitsland. Krupp, inmiddels een besmette naam, was ooit een vooruitstrevende fabrikant met een indrukwekkende staat: zijn Villa Hügel bij Essen telde 270 kamers en meer dan zeshonderd personeelsleden. Een van die kamers was gereserveerd voor de keizer, maar een aanbod zijnerzijds om voortaan Freiherr von Krupp te heten, wees Alfred af met de woorden dat hij liever 'de eerste onder de industriëlen' was dan 'de laatste onder de ridders'. Ook in Nederland schijnen er families te zijn geweest die een nobele kandidatuur hebben versmaad, maar dan vooral op grond van hun republikeinse overtuiging.

Toch kan ik mij voorstellen dat menigeen alsnog had toegehapt als de Hoge Raad van Adel scheutiger was geweest met echte titels in plaats van het predicaat jonkheer. Die term stemt buitenstaanders al ongewenst vrolijk, zeker als het in de praktijk om een oude heer gaat. Bovendien valt nauwelijks uit te leggen dat wat officieel alleen een aanspreektitel (zoals 'majesteit') is toch in de naam wordt gebruikt. Van generaal Van Heutz is bekend dat hij het jonkheerschap te gering voor zijn statuur achtte en daarom weigerde. Over de familie Van Hall gaat hetzelfde gerucht, maar zij voert opmerkelijk genoeg wel het adellijke motto Noblesse oblige, alsof zij zichzelf tenminste van 'noblesse de race' acht.

 

zegelring.jpg

Adellijke bijdrage aan de mode: zegelringen. Deze exemplaren staan onder ingewijden bekend als tegelringen en de dragers ervan als Lord of Lady Gladstone. www.zegelringen.com   


Trouwens, ook de kosten om, zoals dat heet, een adelsdiploma te lichten, waren niet gering, tot wel vijfhonderd gulden per persoon. Ongetwijfeld zullen sommige families hierom een titel hebben laten schieten. Een grappige reden voor afwijzing heb ik leren kennen via mijn schoonfamilie Van Hellenberg Hubar. Zij kon aanspraak maken op verheffing omdat de inmiddels uitgestorven Van Hellenbergs al dan niet terecht de barontitel hadden gevoerd, maar wees in de jaren dertig van de vorige eeuw een jonkheerlijk aanbod af, immers, zij zou dan de jongste adel van dat moment zijn geweest. Dat dit wel degelijk telde blijkt uit een anekdote die erbij werd verteld. De Eindhovense familie Smits van Oyen ontving eerder een predicaat en vierde dat met een groots feest. Een van de gasten was jonkheer De Kuyper, wiens familie blijkens zijn prozaïsche naam ook ooit een fikse lift moet hebben gekregen. De man zat tijdens het diner voortdurend op zijn horloge te kijken, waarop zijn tafeldame vroeg waarom hij dat deed. Zijn antwoord luidde: 'Ik wil weten hoe lang onze gastheren al van adel zijn.'

 

Quasi-adel

 

Tegen 1900 was het gedaan met de veraderlijking; de laatste verheffing vond plaats in 1939. Eerder al werd duidelijk dat er iets schortte aan het Nederlandse systeem. Speciaal de 'Willem-I adel' ontlokte in salons en op sociëteiten meesmuilend commentaar. Bij de selectie ervan waren slordigheden begaan en een principieel punt was dat de meeste jonkers uit een vijver waren gevist waarin een school ebenbürtige vissen rondzwom, te weten de vroegere regentenklasse. Nederland mocht dan een republiek zijn geweest, maar zonder de slogan van de Franse revolutie: Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap. Distinctiedrang trekt zich bovendien niets aan van klassegrenzen.

Het moet in het burgerlijke Nederland een opvallend gegeven zijn geweest dat menig landgenoot zich net als de adel met een dubbele achternaam tooide. Bij adel heeft dat zin: een familie bezit land en dat wordt met een geografisch annex aangeduid. Op die manier kan tevens onderling onderscheid worden gemaakt, immers, een baron uit Serooskerken komt niet uit Biggekerke en een jonkvrouw uit Beek en Donk niet uit Mierlo-Hout. Precies dit verschijnsel bezorgt onze adel overigens dat Bommeliaanse karakter van voorname knusheid, want het annex betreft steeds een dorpje of gehucht, nooit een flinke stad of een provincie. Welnu, gewone burgers konden dit stramien volgen door zelf een landgoed aan te schaffen en de naam ervan aan die van hen toe te voegen. Deze weg heeft menigeen ook bewandeld, althans voor de vorm, want Nederland is nooit een natie van heriditaire grondbezitters geworden; wij kennen geen gentry.

 

stamboek

Omslag driedelig Stam- en Wapenboek van aanzienlijke Nederlandsche Familiën, 1885 e.v, waarin ruim zeshonderd families zich presenteren. www.catawiki.nl 


Een andere mogelijkheid was de naam van een echtgenote erbij te kopen, wat concreet inhoudt: de kosten van een naamswijziging betalen. Al in 1549 promoveerde Jan Berkhout aldus tot Jan Teding van Berkhout. In de negentiende eeuw werd dit een rage. Het argument ervoor luidde steevast dat op die manier werd voorkomen dat de familienaam van de vrouw zou uitsterven, een treurige aanleiding dus, maar latere generaties zouden daaraan veel plezier beleven. Het kon zelfs gebeuren dat men in een keer drie of vier namen kreeg. Zo werd Doede ten Cate in 1876 plotseling Doede Doedes Breuning ten Cate. Het hoeft niet te verbazen dat deze exuberantie een tegenbeweging uitlokte. In dezelfde familie Ten Cate beperkten sommigen zich tot het allernoodzakelijkste: slechts één voornaam, resulterend in één inititiaal, en dan kortaf Ten Cate. Voor de goede verstaander: superchic.

in Het Dubbele Namen Boek van C.E.G. ten Houte de Lange en A.D. de Jonge prijken bijna negenduizend dubbele, driedubbele en vierdubbele namen. Vanuit de adel bezien is dat een echo als een scheepshoorn.

Nog krasser raakte het gesteld met familiewapens. Niet alle adel bezit een dubbele naam, een familiewapen daarentegen wel. In de Middeleeuwen had dat een krijgskundige functie, later heeft het dienstgedaan bij de verzegeling van stukken, maar inmiddels is het louter sier. Desondanks beheert het Centraal Bureau voor Genealogie... 150.000 familiewapens! Een adellijke echo als een orkaan.

 

lars

Modern gebruik van familiewapen door Lars van der Zwaard van www.smoothsailingtattoo.nl

 

Wat uit deze imitatiezucht blijkt is niet alleen ijdelheid, ook ongenoegen. Qua status kwamen direct na de jonge Nederlandse adel duizenden mensen die daarvoor even eligible waren geweest maar het zonder titel moesten stellen. Vooral als zij door verhuwelijking in het adellijk filiatieregister terechtkwamen stond dat lelijk.

Ik wees al op de aanmatiging van de familie Van Hall om zich het motto Noblesse oblige toe te eigenen. Saillant lijkt mij ook het volgende. Twee jaar na de publicatie van een tweedelig Wapenboek van der Nederlandschen adel (1883) verscheen een driedelig Stam- en Wapenboek van aanzienlijke Nederlandsche Familiën, waarmee de betrokken families aangaven dat zij hun licht beslist niet onder de korenmaat wilden steken. Quasi-adel zou een goede benaming voor deze groep zijn geweest, maar dan volgens de Italiaanse betekenis van quasi: bijna of schier. Uiteraard prefereerde men een begrip zonder verwijzing naar de adel, alsof men ook los daarvan had kunnen bestaan: het patriciaat - oorspronkelijk de families die in het oude Rome de dienst uitmaakten. Uiteindelijk zou men daarmee ook naar buiten treden. In 1903 begon het Centraal Bureau voor Genealogie met het befaamde Rode Boekje voor edelen, in 1910 volgde het Blauwe Boekje voor patriciërs. Nergens anders ter wereld bestaat een vergelijkbare reeks, wat aangeeft dat er in Nederland wel degelijk een nobilitair tekort heerste.

 

blauw

Het Blauwe Boekje voor patriciërs. De adel heeft een rood boekje.

 

Het Centraal Bureau voor Genealogie schat het patriciaat op 2500 families, waarvan er 1800 inmiddels in het Blauwe Boekje zijn opgenomen. De families dienen zich daarvoor zelf te kandideren en draaien tevens voor alle kosten op. Als maatstaf voor publicatie geldt dat een familie gedurende anderhalve eeuw een vooraanstaande rol in de samenleving heeft vervuld. Maar daarover bestond bepaald geen concensus; net als bij de Willem-I adel bleef toelating een netelig onderwerp. Aanvankelijk waren het vooral oude regentengeslachten die zich met succes aanmeldden, ook al brachten zij nog slechts lagere ambtenaren en dominees voort. Tycoons die tienduizenden arbeiders een inkomen verschaften kregen nul op het rekest. Het is pas sinds kort dat leden van de families Jurgens en Van Heek zich gelijkwaardig mogen beschouwen aan de familie Piper uit Nijmegen... De familie Piper, ja!

 

Beschermde neergang

 

Zoals bekend is onder de socialistische premier Willem Drees in 1953 de mogelijkheid tot nobilitatie geblokkeerd en hebben we sindsdien andermaal een adel die ten dode is opgeschreven. Of: zoals bekend? Het ging aanvankelijk om een geheime afspraak met koningin Juliana, waarvan de adel zelf geen weet had. Een schizofrene discussie moet dit wel hebben opgeleverd.

Montijn beschrijft hoe de Hollandse high society tot een einde kwam. Wilhelmina schafte de hofbals af, ontving niet langer jeugdige edelen ten paleize en zette oude hoffamilies aan de dijk. Omdat Wilhelmina bepaald geen democrate was (ze hield zich zelfs verre van haar eigen Koninginnedag), begrijp ik dat zij zich te goed voor de adel voelde. Maar het kan ook zijn dat omgekeerd de adel van de Oranjes vervreemd was geraakt. Willem III joeg het hele volk tegen zich in het harnas en Wilhelmina had er na de oorlog een handje van iedereen die niet in het verzet had gezeten te negeren, terwijl zijzelf naar Engeland was ontsnapt. In de onderlinge verhouding speelde natuurlijk ook dat de Oranjes tegenover de adel flink bevoorrecht zijn, want alleen bij hen mogen titels via de vrouwelijke lijn vererven. Waren zij normale edellieden geweest dan was de familie inmiddels volledig Duits geworden en afgezakt tot de jonkherenstatus, wat al geflatteerd is, want de vader van onze huidige koning, Claus von Amsberg, behoorde in zijn geboorteland tot de 'niedrige Adel', die niet eens een predicaat heeft. 

 

dehaar

Het grootste kasteel van Nederland, De Haar in Haarzuilen, gebouwd rond 1900 als zomerresidentie voor de katholieke Belgische baron Étienne van Zuylen van Nyevelt van de Haar, die gehuwd was met de steenrijke Franse schrijfster Hélène de Rothschild. Het ontwerp is van de eveneens katholieke architect Pierre Cuypers.

 

Opvolgster Juliana was een democrate in hart en nieren, zij wilde een relatie met het volk zonder interfererende aristocratie. Drees van zijn kant trachtte de gelijkheid van mensen te bevorderen. Hij had dat kunnen doen door verdienstelijke landgenoten eveneens een titel toe te kennen en aldus een interne democratisering van de adel te bewerkstelligen, een route waarvoor onze zuiderburen hebben gekozen. Hij koos de confrontatie.

Nu wilde het geval dat lijfeigenschap hier zelfs in het verre verleden nauwelijks heeft bestaan, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Denemarken. Ook was de Nederlandse adel niet exorbitant rijk, zoals in Engeland, waar sommige families tientallen kastelen bezitten, met een bijbehorende levensstijl. In de serie Downton Abbey valt te aanschouwen hoe daar tot in de kleinste kleinste gangen lakeien in livrei - denigrerend footmen geheten - te pronk stonden. In Nederland stonden lakeien al zelden achter een stoel tijdens een diner; het verhaal wil dat de zilveren tafelbel hier niet voor niets is uitgevonden.

In de twintigste eeuw kwam bovendien de vermogenspositie van de adel onder druk door successierechten en andere belastingen. De enige echte ongelijkheid die in Nederland resteerde was die tussen het feodale staatshoofd, dat zelfs van iedere belasting is vrijgesteld, en ons onderdanen. Mijn prioriteit zou het zijn geweest om die situatie te wijzigen; in plaats daarvan pakte Drees een al bijna folkloristisch instituut aan, waarbij hij wonderlijk genoeg de directie van dat instituut in functie liet. Feitelijk kan alleen die directie nog voor adellijke aanwas zorgdragen, wat de 'linkse' Beatrix ook ruimschoots heeft gedaan: nooit eerder telde Nederland zoveel prinsen en prinsessen en graven en gravinnen, van wie de meesten van doodgewone komaf zijn - er zit zelfs een 'prinses Rijtjeshuis' tussen. Aldus zal Nederland over pakweg een eeuw nog slechts Oranje-adel bezitten. Walt Disney had geen mooier slot van het koninklijke sprookje kunnen bedenken.   

 

Adellijke vruchten

 

Wel, wat heeft de adel ons al met al gebracht? Voor een antwoord op die vraag moeten we allereerst beseffen dat er weinig Nederlandse adel is geweest. Officieel zijn er nog 285 van zulke families, waarvan er twintig op uitsterven staan door een tekort aan mannelijke nazaten. Samen tellen zij ongeveer 8500 personen, van wie maar liefst een kwart in het buitenland woont. Ter vergelijking: Belgie heeft 1200 van zulke families, met in totaal 32.500 leden. Voor een zelfde adellijke dichtheid als dat land zou Nederland eigenlijk 1800 adellijke families met bijna 50.000 leden moeten hebben, zes keer zoveel dus.

Visueel is deze geringheid al op te merken. Dat wij geen Wentworth Woodhouse met 365 kamers, decor van de tv-serie Victoria, kennen laat zich raden, maar in andere Europese landen tref je in bijna elk dorp wel een breedgevelige manor aan, vlakbij of aan het dorpsplein. In Nederland zijn er hele gebieden, vooral in het Westen, waar zulke bouwsels ontbreken omdat er nooit adel heeft gezeten. In het Westen staan wel ettelijke buitens van rijke stedelingen maar de meeste lijken op grachtenhuizen die naar het platteland zijn verplaatst - zij bezitten vrijwel geen zijgevel-architectuur. Hoe wezensvreemd nobele bouwkunst hier is blijkt ook uit het feit dat er geen adequate vertalingen bestaan voor het Franse palais en chateau, die in Frankrijk gek genoeg kleiner kunnen zijn dan bij ons een paleis en een kasteel.

 

peapark2

Ook buitenlandse adel zorgde voor inspiratie, zoals hier voor het Peapark (1914 - 1928) van textielfabrikant Piet de Wit in Helmond, een ontwerp van de Amsterdamse architect August van Spaendonck op basis van Le Petit Trianon in Versailles.  

 

Goed, weinig kastelen en paleizen, maar daar hoort bij een geringere verspreiding van serviliteit. Je kunt veel van Nederlanders zeggen, niet dat zij talent voor onderdanigheid hebben. Dat biedt ook geen prettige aanblik. Bij Stendhal en Flaubert lees je beschrijvingen van straatarme dorpelingen die in de nachtelijke kou bewonderend hun neus tegen kasteelramen drukken, waarachter edellieden copieus dineren en dansen. Of beschrijvingen van lakeien die tegen elkaar opscheppen over hun broodheren. Bij ons kun je alleen in de Indische literatuur mensen aantreffen die zich letterlijk in het stof werpen om een gunst van hun patroon te verwerven.

Anderzijds waren we met meer adel misschien geen natie van mopperaars geworden. Mopperen - een graadje erger: kankeren - is een neiging van boeren, kruideniers en arbeiders die met onbeheersbare factoren kampen. De Nederlandse bevolking moet wel in meerderheid uit boeren, kruideniers en arbeiders bestaan, want onze televisiehistoricus Maarten van Rossem moppert altijd dat wij zo mopperen. De adel verlaagt zich daar nimmer toe, vooral het vrouwelijke deel niet. Nadine de Rothschild citeert in Savoir vivre een hedendaagse hertogin van Sabran: 'Een vrouw van de wereld heeft het nooit warm, nooit koud, heeft nooit honger en is nooit moe. Welke beproeving zij ook doorstaat, zij klaagt nooit en toont zich nooit geschokt... Een béétje manieren, voor de duivel!' 

Met meer adel was er mogelijk ook een Nederlandse graaf opgestaan die een Oorlog en vrede had geschreven, of nóg een Belle van Zuylen. Romanstof was er in elk geval te over geweest. Hier doemt meteen een begeleidend nadeel op. In Annejet van der Zijl's biografie van Bernhard valt te lezen wat het voor een land inhoudt een konkelende en lanterfantende klasse van edelen te hebben. De paar exemplaren die wij mochten importeren, zijn eigenlijk wel genoeg geweest. 

 

montypython

De paardenmond en de konijnenmond zijn favoriet bij de upperclass twit. De keuze tussen de twee zal afhankelijk zijn geweest van de toestand van het gebit. Misschien wilde de adel het liefst pronken met fraaie tanden; vandaar de neiging tot een paardenmond. De konijnenmond is dan een expressie van teleurstelling over tandbederf. Zouden de vele adellijke snorren hier ook op terug te brengen zijn? Voor Monthy Python, zie youtube en imgur. www.deviantart.com

 

En toch: een vermakelijk nevenproduct van de adel vormen de upper class twits. Ortega y Gasset signaleerde hen al: edellieden met een specifieke onnozelheid en vervagende persoonlijkheidstrekken, doordat zij louter hun voorgeslacht moeten representeren en nooit zichzelf kunnen zijn. In Engeland lopen zij in dusdanige aantallen rond dat Monty Python er jaarlijks een competitie voor uitschreef. Wij kennen als zodanig alleen baron Taets van Avezaethe van Paul van Vliet, die eerder Brits dan Hollands aandoet.

Ook hebben wij weinig goede snobs, vind ik. Uiteraard heb ik het niet over culturele snobs, want daar stikt het van, zeker onder neerlandici die al bij een eerste ontmoeting boven jou uit proberen te torenen met artistieke weetjes. Mij gaat het om de erven van de sine nobilitate, de bourgeois gentilhommes van Molière. Zouden er elders mensen rondlopen met een tegelring aan hun vinger? Of lui die zich daarover geringschattend uitlaten maar jou voordoen hoe je een wijnglas dient beet te pakken? Omdat een krachtig binnenlands voorbeeld ontbreekt zijn Nederlandse snobs in de regel anglofiele of francofiele na-apers die in hun vrije tijd etiquetteboekjes en lezen. Het treurigst vind ik onze nationale snob Jort Kelder, al weet ik nooit wat het treurige aan hem is. Dat hij, afkomstig uit een rijtjeshuis in een zwarte kousengebied (Oud-Beijerland) zich uitsluitend richt op dure dingetjes en malle omgangsvormen, of dat zijn omroep via hem het publiek aan 'beschaving' wil laten snuffelen? Misschien toch het laatste.  

Netzomin als goede snobs, hebben wij aantrekkelijke non-conformisten. Bij gebrek aan een zelfverzekerde elite zetten dwarse mensen zich bij ons bij voorkeur af tegen spitsburgers, wat in de regel betekent dat zij tot in hun nek onder de tattoos zitten en hun p.h. verwaarlozen. Een paradoxaal beeld levert dit wel op. Als een van de rijkste landen ter wereld behoort de overgrote meerderheid van onze bevolking tot de middenklasse. Zonder veel moeite zou iedere landgenoot er tiptop kunnen uitzien, desnoods met behulp van kringloopwinkels, waar vintage kleren voor een habbekrats te koop zijn. Maar als je in de Kalverstraat rondkijkt overheersen de kampers en de Tokkies. 

 

paulvanvliet

Cabaretier Paul van Vliet als baron Taets van Avezaethe, ook met typerende paardenmond. www.paulvanvliet.nl

 

Het effect van weinig adel laat zich ook voelen op het platteland: wij bezitten geen bloeiend country life. Een serie als Midsummer murders zou bij ons nooit kunnen spelen. Misschien met uitzondering van Friesland en langs de oostgrens is een plattelandskroeg in Nederland ook nimmer een pub. En de meeste inboorlingen groeten als koeien ('mwoeih'). Uiteraard valt dit de adel niet aan te rekenen, maar in Engeland is het zo gegaan dat stadse fabrikanten en bankiers die van de natuur hielden overal tussen de adel konden gaan zitten en aldus hele regio's tot civilisatie hebben gebracht. In Nederland verschansten zij zich gezamenlijk in villadorpen.

Ik ontmoette eens een baron in de Betuwe die zijn streek zo karakteriseerde: 'Je had hier vroeger grootgrondbezitters en knechten, en iedereen die iets in zijn mars had trok zo snel mogelijk weg'. Hoewel hij een 'ouderwetse rechtopheid' vertoonde, zoals G.L. van Lennep dat noemt, verwonderde mij zijn lethargie, alsof hij het best vond dat capabele lieden wegtrokken. Maar is lethargie niet de overlevingstactiek van de adel in de hele wereld geweest?

 

huisbergh

Huis Bergh, ridderlijke burcht verworven door textielfabrikant Jan van Heek. www.hotel-r.net

 

Intussen heeft de Nederlandse adel wel degelijk sporen nagelaten. Veel industriëlen hebben zich erdoor laten inspireren, tot mijn teleurstelling moet ik zeggen. Industriëlen zijn immers kinderen van de Franse Revolutie maar de meesten hebben die herkomst totaal verloochend. Dat is volgens mij een historische blunder geweest. Als zij zich consequent hadden voorgedaan als mannen van eigen verdienste, dan waren zij voor iedereen de helden gebleven die Nederland welvarend hebben gemaakt. De associatie met de adel heeft hen louter nadelen gebracht, want daardoor kregen zij vanuit het volk kritiek te verduren die bij de adel op een juister adres was geweest.

Hoe noodlottig de associatie met de adel kon uitpakken mag blijken uit het verhaal van Jan van Heek. In Twente waren textielfabrikanten als Ten Cate en Van Heek tegen landjonkers aan het opboksen met breedgevelige landhuizen. Omdat de landjonkers op homines novi als hen bleven neerkijken, deed Jan van Heek iets drastisch. Hij verliet het strijdperk van luttele centimeters en kocht een middeleeuwse burcht, Huis Bergh, alsof hij wilde zeggen: 'Jullie landjonkers zijn eigenlijk veredelde boeren, ik ben voortaan een ridder'. Had hij die stap maar niet gezet. Vóór de Tweede Wereldoorlog bezat zijn familie het grootste industriële imperium van Nederland, in de jaren zestig, tien jaar na Jans dood, ging het volkomen roemloos ten onder.

Zo maar een idee: als Jan een trotse burger was gebleven of de satisfactie van een ridderschap zónder burcht had mogen smaken, was het anders met zijn bedrijf afgelopen.  

 

-----------------------

* Nog een voorbeeld van de associatie met adel door patricriciërs. Het patriciaat volgde niet het omgekeerde motto van Arbeid adelt (adel arbeidt niet), maar vond  menig beroep wel beneden zijn waardigheid. Nog na de oorlog weigerde de vader van Nico van Hasselt, bekend geworden als de oudste huisarts van Nederland, zijn studie medicijnen te betalen, omdat een Van Hasselt niet hoorde te dienen maar werd bediend. Die vader was directeur van het minibankje Vermeer in Deventer en de Van Hasselts gaan genealogisch niet verder terug dan de zeventiende eeuw, net als de meesten van ons.

* Jaap Moes betitelt in zijn boek Onder aristrocraten (2012) als derzulken: de adel, het patriciaat en 'andere notabelen'. Zelf zou ik dat nooit doen. Aristocratie vind ik een term die slecht past bij Nederland. Daarbij denk je allereerst aan adel en wat dat betreft zijn wij altijd een ministaatje geweest. Zelfs het titulaire palet vertoont bij ons omissies (géén hertog; slechts één markies en één burggraaf die beiden in het buitenland wonen). Hét kenmerk van onze geschiedenis is toch dat de adel nauwelijks een rol van betekenis heeft vervuld. De patriciërs hebben dat zeker wel gedaan en hun bewind lijkt het meest op een aristocratie in de Griekse zin van het woord, zij het dat buitenlandse aristocraten hen niet als gelijken zagen maar als burgers. Met 'andere notabelen' bedoelt Moes onder meer de industriële bourgeoisie uit de 19de en 20ste eeuw. Inderdaad, zij was extreem belangrijk maar opereerde beduidend minder aristocratisch dan het patriciaat, dat overigens op zijn beurt industriëlen niet als gelijken zag. Om dan al deze groepen onder één en ook nog verkeerde noemer te scharen...        

* De Hoge Raad van Adel mag geen titels meer uitdelen; het zou een daad van rechtvaardigheid zijn als Jort Kelder van de Raad althans een adelsbrief kreeg. Met zijn programma Hoe heurt het eigenlijk? heeft hij de laatste tijd meer voor de adel gedaan dan de adel zelf. Tegelijk moeten we vaststellen dat edellieden bij hem ook hun beste beentje voorzetten. Komisch toch. Eeuwenlang keurden zij het volk nauwelijks een blik waardig, en inmiddels maken zij er desgevraagd een huppeldansje voor. De afhankelijkheid van overheidssubsidies en van vrijwilligers op de landgoederen zal hierin een rol spelen, evenals het al dan niet bewuste inzicht dat het volk inmiddels massa is geworden. Het volk wilde nog weleens morren, de massa zwijmelt bij alles wat boven de massa uitsteekt.

* Dat een adellijke titel extra bescherming tegen sociale daling biedt, blijkt eens te meer uit de toestand van het patriciaat. Patriciërs hadden de wind mee zolang notabelen aan de macht waren, maar zijn nu nog slechts groepsgewijs te vinden in het bank- en verzekeringswezen, zonder op te vallen overigens, want kleurrijk zijn ze niet, hooguit wat extra bekakt. Anders dan in Frankrijk en Engeland kennen wij ook geen scholen, verenigingen en instituten die zich richten op reproductie van de elite, zodat de vooruitzichten voor patriciërs weinig hoopvol zijn. Volgens mij houden velen hun eigen stand al niet meer op. Historica Ileen Montijn (N.P. 78) is getrouwd met een fotograferende zoon van Karel van het Reve uit Betondorp. Eeuwig zonde. Zij houdt zich althans nog bezig met stijl, wat je van de Van Rossumpjes (N.P. 83) bepaald niet kunt zeggen. Televisiehistoricus Maarten van Rossum oogt als een artistieke HBS-er, dus redelijk klasseloos, zijn broer Vincent, hoogleraar architectuurgeschiedenis, daarentegen heeft een volle duik in de heffe des volks genomen. Hij stáát al als iemand die een sjekkie aan het rollen is en klinkt als een Jordanese sloeber, hoewel hij uit het nette Wageningen komt. Omdat de Van Rossums nog in het jaar 2000 geld bijeenbrachten om zich in het Nederland's Patriciaat te laten opnemen, vermoed ik dat er bij hen een bipolair snobisme aan de hand is, zowel richting omhoog als omlaag. Niets illustreert treffender de overbodigheid van het patriciaat.

 

ros

Hier zijn de Van Rossums, toeristisch programma van de NPO. Hooggeleerde patriciërs, maar hun gedragsmodel is shabby chic minus chic. Wij leven in een tijd van post-proletarische decadentie. NPO.

 

* Bipolair snobisme zal geen blijvend fenomeen zijn; daarvoor lijkt het teveel een knieval voor het heersende anti-elitisme. Gerrit Komrij (Humeuren en temperamenten) onderscheidt drie soorten snobs met meer duurzaamheid: de gewone snob die andermans ideeën leent, de anti-snob die zijn uiterste best doet origineel te zijn, en de anti-anti-snob die zichzelf en iedereen als een boerenlul wenst te zien. Zeer juist. Maar snobisme kent ook gradaties in toewijding en verhevenheid. Jan van Heek vertoonde de meest complete variant; algemener is de jongen uit de upper lower of lower middle class die haasje-over met zijn ouderlijk huis speelt teneinde bij rijke vriendjes te horen. Of bij culturele vriendjes, want artistiek snobisme komt het meest voor. De toekomst is ongetwijfeld aan de anti-anti-snob.

* Mijn indruk: noorderlingen zijn meer tot snobisme genegen dan zuiderlingen. Snobs detoneren in het organische wereldbeeld van katholieken. Ik durf erom te wedden dat een survey zal uitwijzen dat dubbele namen in het zuiden veel minder voorkomen. Zeker de fantastische reeksen waarmee Indiëgangers naar Nederland terugkwamen - ingewijden denken nu onmiddellijk aan Bédier de Prairie -  ontbraken bij ons. Boven de Grote Rivieren heb ik ook pas kennisgemaakt met de schijnbare dubbele naam: een oud-Hollandse voornaam als Roemer, Walraven, Rijkman en Luiten die in combinatie met de achternaam een double-barrelled indruk wekt. Wanneer daar een banale 'Jan' aan voorafgaat, ligt succes voor het grijpen. Zo heet economisch-historicus Jan Luiten van Zanden in tal van publicaties J. Luiten van Zanden. Ik weet ook nog hoe ik lang ik gegrinnikt heb om de in Helmond overleden protestantse spellingvereenvoudiger Roeland Kollewijn, die romans bleek te publiceren onder het pseudoniem... C.P. Brandt van Doorne. 

* Het bloed kruipt natuurlijk waar het niet gaan kan. De figuur van de verkapte snob komt onder zuiderlingen wel voor. Neem Eurocommissaris Frans Timmermans. Zijn vader was een ambassadebode, dus Frans kreeg het maintien als het ware met de mattenklopper bijgebracht. Als PvdA-politicus bleef hij een man van het volk: in een glimmend leren jekkie zit hij 's zondags het liefst in het stadion van Roda JC, een frietje in de hand. Hij zweert ook bij een Limburgs accent, al spreekt hij met het grootste gemak zes vreemde talen. In die vaardigheid onthult hij pas zijn ware ik... Het schijnt dat het personeel van Buckingham Palace gezamenlijk naar zijn VN-toespraken luistert om zich in het Queen's English te bekwamen.

* Ik had graag Lodewijk van Deyssel, katholiek maar van boven de Grote Rivieren, gekend, en wel om te zien hoe vaak hij op een dag zijn snobisme tentoonspreidde en tot welke leeftijd hij daarmee doorging; omgekeerd, hoe lang ik van zijn snobisme gecharmeerd zou blijven en wanneer ik hem erom zou zijn gaan pesten.

* Wanneer ik aan de adel denk, komt steevast een uitspraak van mijn overleden vader naar boven: 'Wij, Jagertjes, zijn ook van adel, want wij hebben gespleten billetjes'. Zo plastisch drukte hij, een vroom katholiek, zich normaal gesproken niet uit, dus ik neem aan dat hij een fikse hekel had aan standsverschillen. Ook de Oranjes genoten bij hem weinig sympathie, maar verder was hij zo gezagsgetrouw als wat. Moeilijk te rijmen eigenlijk. Burgertrots misschien?

 


terug naar boven