Het Meifeest

 

 

Een nieuwe lente betekende vroeger inderdaad een nieuw geluid, zoals het gedicht Mei van Herman Gorter wil. Met Pasen werd dat al in een gewijde sfeer herdacht, maar omdat dat op een wisseldatum valt, bleef lange tijd 1 mei de dag van de wereldse viering. Alles staat dan in bloei en in de landbouw breekt een periode van betrekkelijke rust aan. Die gelegenheid gebruikte men om regelingen te treffen. Zo deden op of rond 'meidag' nieuwe knechten en dienstboden hun intrede en werden landerijen in pacht genomen. In steden handhaafde men dit boerenritme. Arbeidscontracten en huurcontracten gingen dan in en bedrijven openden een nieuw boekjaar. Nederlandse bedrijven deden dat tot slechts enkele decennia geleden, veel Amerikaanse bedrijven doen dat tot vandaag. In Amerika spreekt men ook nog van Moving Day, waarvan een Nederlandse voorganger bestaat: Verhuisdag. Volgens de Kooker en tas almanach voor het jaar 1777 krioelde het op 'Mij-dag' van de huisraad op de straten. 

 

mij-dagkooker.jpg

Kooker en tas almanach voor het jaar 1777 (Atlas van Stolk). Allicht is de Amerikaanse Moving Day een vervolg op de Verhuisdag die Nederlanders ooit in het huidige New York introduceerden.

 

Tegen deze bewegelijke en opwindende achtergrond voltrok zich het meifeest, met zijn overdadige vruchtbaarheidssymboliek, - niet alleen ten aanzien van land, gewas en vee, ook ten aanzien van huwbare jongens en meisjes, want veel meer dan tegenwoordig hadden die echt de lente in de kop.

 

'Den mei houwen'


Hoewel het meifeest grote regionale verschillen kende, begon het in de nacht ervoor, in wat in Duitsland Walpurgisnacht heet. Tijdens die nacht hielden heksen hun sabbat, volgens de een, trouwde Wodan met zijn Walküren, volgens de ander, maar in elk geval is hij vernoemd naar de Heilige Walburga, beschermster tegen hekserij en tovenarij, zodat ook van christelijke zijde claims op het feest liggen.

 

meiboom

Het planten van een meiboom 'om rijkaardt zijner eer', aldus het onderschrift. Ets van G. de Breen, eerste helft 18de eeuw. (Atlas van Stolk)

 

In die nacht werden de meibomen geplant, meitakken ('meien') geplaatst op huizen en stallen, en brandstapels opgericht voor de traditionele meivuren. Dergelijke gebruiken waren over grote delen van Europa verbreid, maar zijn toch niet specifiek Europees, ze komen over de hele wereld voor.

In de Middeleeuwen moeten aldus hele steden in het groen zijn gezet. Elk huis had zijn meiboom, elk venster zijn meitak; tot in de kerk hingen die takken. Omdat het materiaal door de ontbossing van steeds verder weg moest worden gehaald, ontfermden vaste mannengroepen zich over dit werk. Voor schuttersgilden was dit een gelegenheid tot aanhankelijkheidsbetoon aan hoge heren. Gedurende de hele Republiek bestond in Den Haag de gewoonte meybomen van staat voor het hof van de Hollandse graven te planten. Op wimpels die aan de nok hingen, waren Latijnse spreuken geschreven met opwekkend commentaar. Een echt volksfeest was dit niet; dat werd verzorgd door de meigilden.

In het exposé Vrijen en trouwen heb ik al gewezen op de rituele, openbare en uiteindelijk weinig romantische trekken van de traditionele vrijage. Het meifeest kan hiervoor als illustratie dienen. De meigilden bestonden uit de huwbare jongens van de buurt of het dorp. Zij haalden in optocht een boom uit een bos, ontdeden hem van de takken en versierden de top met kleurige linten, kransen, eieren, koeken en vruchten. Zo werd hij op het plein voor de kerk opgericht. Op de avond van 30 april werden meestal de meivuren aangestoken. Daar dansten de jongens en meisjes roesmatig omheen; ze zongen, ze maakten elkaars gezichten zwart en de jongens toonden hun durf door over de vlammen heen te springen.

In het holst van de nacht gingen de jongens de meitakken bij de huizen van de meisjes aanbrengen. Ieder meisje kreeg met zo'n tak een beoordeling, want het was niet alleen de liefde die met dit gebruik werd gediend. De takken spraken een duidelijke taal. Een fijne dennemast gaf aan dat het om een goed meisje ging, een berketak betekende dat ze aardig en vlijtig was. Daarentegen stond een kersetak voor een allemansliefje, een hagendoorn voor een stekelig wicht en een biesbosje voor hoerigheid. Bij het krieken van de dag kwamen de meisjes naar buiten om hun beoordeling te bekijken. Was die gunstig, dan liet het meisje de tak trots hangen, was die ongunstig, dan verwijderde ze hem onmiddellijk.

 

meidansen.jpg

Voorstelling van het dansen rond de meiboom in de zeventiende eeuw, nog zonder de linten die op enig moment zijn toegevoegd. Uit: Jan ter Gouw, De Volksvermaken (naar Adriaen van de Venne).

 

Aansluitend begon het dansen rond de meiboom, dat tot laat in de avond duurde. De gestileerde vorm daarvan, vooral in Engeland populair, ging met linten vanaf de top die door jongens en meisjes om en om werden vastgegrepen en bijna tot een veelkleurige tent konden worden uitgespreid. In Nederland was de gang van zaken directer. De 'koning' of 'graaf' van het meigilde stelde zich met een krans in de hand onder de boom op en de meisjes bewogen ter keuring langs hem heen. Op een gegeven moment gooide de graaf zijn krans naar een van de meisjes, die dan de meikoningin of meigravin werd en later niet zelden zijn echtgenote. Ook de andere jongens maakten hun voorkeur bekend en uit het urenlange zingen en hossen groeide menige vaste relatie. De volkskundige Catharina van de Graft beweert zelfs dat tijdens die nacht minstens een derde van alle meisjes promoveerde tot vrouw!

In de zeventiende eeuw stond de meiboom nog in elke stad en elk gehucht. Uiteraard maakten calvinistische dominees bezwaren tegen het begeleidende ravotten en bestonden er specifieke keuren die de feestelijkheden aan banden moesten leggen: in plantsoenen en bossen mochten geen vernielingen worden aangericht en 'kijvagiën, gevechten, verwondingen, doodslagen en andere moedwilligheden' werden uitdrukkelijk verboden. Hier en daar was het zelfs niet toegestaan een meiboom te plaatsen, maar dat haalde weinig uit. Het meifeest was een algemeen feest.

 

meiboombreugh

Dansen rond de meiboom, 1634, Pieter Breughel de Oudere. www.bjws.blogspot.com

 

In de steden gebruikten jongens het ook voor een meer persoonlijke en romantische hofmakerij. Zij plantten bij hun favoriete meisje liefdesmeien en brachten onder haar raam serenades, begeleid door gedichten van een bevriende poëet of van de oude Rederijkers. Bijvoorbeeld:

Ik wil den mei gaan houwen
Voor mijn liefs' vensterkijn
Ende schenken mijn lief trouwe
Die allerliefste mijn
Ende zeggen: Lief wilt komen
Voor u klein vensterken staan
Ontvangt den mei met bloemen
Hij is zo wel gedaan

In de loop van de achttiende eeuw verdwenen de meibomen uit de steden en in de negentiende eeuw uit de meeste dorpen en gehuchten. Het heette dat de feestelijkheden zozeer waren ontaard dat nette mensen er niet langer aan mee wilden doen. Maar het is niet waarschijnlijk dat het feest van karakter was veranderd; eerder waren de  mensen 'netter' geworden. Vrijage werd namelijk voor steeds meer paartjes een privé-aangelegenheid.

Het animo voor de meiboom verminderde andermaal dankzij religieuze interventie. Nadat calvinisten hun afkeur hadden uitgesproken, propageerde de katholieke Kerk vanaf de achttiende eeuw de meimaand als Mariamaand, waardoor alle wereldse vieringen binnen haar bestek vielen. In 1815 werd deze interpretatie door Pius VII bekrachtigd met een ruimhartig aflaatbeleid.

In de landen om ons heen kon de meiboom tot in onze tijd blijven voortbestaan, overigens met slechts een zweem van zijn oorspronkelijke  betekenis. Ook in Noord-Amerika werd hij nog met succes geïmporteerd. In Nederland verdween hij daarentegen op een enkele uitzondering na. Wellicht is hier voor het laatst en masse rond de meiboom gedanst tijdens de inval van de Fransen, die hem inzetten bij de verbreiding van hun idealen Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap. De gewoonte meitakken bij meisjes te plaatsen heeft volgens de volkskundige Gerard Rooijakkers in het zuidoosten nog voortgeduurd tot 1900, maar was toen ook voorbij.

 

meifeest-1

Van de meivuren is overgebleven de Meierblis in de nacht van 30 april op 1 mei op het eiland Texel. (ANP)

 

De meivuren hebben langer gebrand, vooral in de periferie, waar ze, eenmaal tot residu verklaard, als teken van eigenheid gingen fungeren, vergelijkbaar met wat in Schotland rond de doedelzak gebeurde. Zo kent Texel van oudsher de Meierblis (blis=vuur) op de avond voor 1 mei. In de jaren zeventig was dit gebruik op sterven na dood, maar in 2003 waren er weer 110 meierblissen. Inmiddels heeft slechts elk dorp er een. Ook Vlieland en Terschelling rakelen sinds kort hun Meibrand weer op, overigens wèl op 1 mei.

Maar in grote delen van het land werd het meifeest eenvoudig van de kalender geschrapt, al houden enkele satanisten en paganisten hier en daar de traditie nog heimelijk in ere. Er kwam ook niets voor in de plaats, zoals een bloesemfeest, terwijl nog niet zo lang geleden de hele Betuwe aan het begin van de lente in bloesem was gehuld. Ter vergelijking: Japanners vieren tot in het buitenland hun kersenbloesemfestival Sakura, zoals in Nederland sinds het jaar 2000, toen de Japan Women's Club vierhonderd kersenbomen aan het Amsterdamse Bos schonk. De eerste bloesem haalt in Japan zelfs het televisiejournaal...

Calvinisme is de hoofdoorzaak van deze stilte in mei, maar Nederland kent sowieso geen bloeiend country life, zoals andere Europese landen dat kennen. In de meeste regio's ontbrak een adel die over tradities waakte en een zekere graad van ontwikkeling bracht, zodat het voor een ieder aangenaam was om aan het dorpsleven deel te hebben. Natuurliefhebbers die de stad wilden ontvluchten vestigden zich hierom bij voorkeur in villadorpen. In tegenstelling tot Frankrijk en Engeland doet zich in Nederland zelfs niet de massale weekendvlucht van stedelingen naar het tweede huisje in de provincie voor - onze tweede huisjes liggen voornamelijk in het buitenland. Met uitzondering van Limburg, de Achterhoek en Twente bleef het Nederlandse platteland: werkland, waar naast lentefeesten ook alle traditionele oogstfeesten zijn weggevallen. Alleen in nagespeelde oogstfeesten zagen enkele commerciële partijen brood, waaruit bijvoorbeeld Stoppelhaene in Raalte (1951) en het Fruitcorso in Tiel (1961) resulteren. 

Overigens lijkt er in het landleven toch een kentering aan de hand te zijn; logsich wel, vanwege de krimpende boerenpopulatie. Veel weidevelden worden tegenwoordig begraasd door manegepaarden in plaats van melkkoeien, een verschijnsel waarvoor het woord verluxing lijkt bedacht. Verluxing spreekt ook uit de ruim duizend bungalowparken en ruim tweeduizend campings die de stedelijke rustzoekers inmiddels ten dienste staan. De Home & Garden Fair van Beeckestein (1989) en van Mariënwaerdt (1994) hebben ettelijke navolgers gekregen en elk dorp organiseert tegenwoordig een kunst- en brocantemarkt, mede om de wekelijkse invasie van wandelaars, wielrenners en motorrijders uit de Randstad tot bestedingen te verlokken. Sinds de milleniumwisseling neemt ook het aantal oogstfeesten weer toe. Maar een kroeg op het platteland is nog altijd geen pub.

 

Dag van de Arbeid 

 

Het vroegere meifeest zou inmiddels uit het Nederlandse collectieve geheugen zijn gewist als wereldverbeteraars er geen band mee hadden gekregen; het eerst van linkse huize. Socialisten zagen de ondergang van het kapitalisme als onafwendbaar en koppelden de belofte van een rechtvaardige samenleving aan de lente. Om te beginnen streefden zij een achturige werkdag na. In de Verenigde Staten werden daartoe vanaf 1881 acties gehouden rond de genoemde Moving Day, waarop de meeste arbeidscontracten afliepen. Vijf jaar later kwam het in Chicago tot een geweldsexplosie, bekend als het Haymarket massacre, waarbij de overheid zich danig misdroeg. Er wordt aangenomen dat het Amerikaanse congres als verzoeningsgebaar hierom in 1894, na een nieuwe confrontatie, de arbeidersbeweging een nationale feestdag schonk: Labor Day, op de eerste maandag in september.

Labor Day diende beslist als alternatief voor de Dag van de Arbeid op 1 mei, waartoe de Socialistische Internationale in 1889 in Parijs had opgeroepen. Speerpunt daarvan was wederom de achturige werkdag. Net als elders werd dit ook in Nederland een dag van werkstakingen en manifestaties, waarbij wel opviel dat sociaaldemocraten, anarchisten en later communisten zelfstandig bleven opereren en elkaar als het even kon in de wielen reden. Het grote verschil met andere Europese landen was dat hier geen uniforme, naar godsdienst onverdeelde fabrieksarbeiders in enorme concentraties bijeen woonden. In Amsterdam en Rotterdam bepaalden juist havenarbeiders het beeld, en zij hadden meer sympathie voor het anarchisme en het communisme dan voor de bestuurlijke sociaaldemocratie.

 

meifeest_3 

'Als de Mei roept' van Albert Hahn, uit De Notenkraker 1922. (Atlas van Stolk)

 

In 1919, ter beteugeling van de sociale onrust na afloop van de Eerste Wereldoorlog, kréég Nederland de achturige werkdag, althans voor even. De 1 mei-bijeenkomsten droegen voortaan een algemener karakter, en er ontstond zelfs ruimte voor feestvreugde, want de sociaaldemocraten haalden in de jaren twintig de meiboom van stal om er eromheen te dansen. We lezen bij André van der Louw (in: Rood als je hart) hoe dat kort na de Bevrijding in Den Haag plaatsgreep. Hij en zijn kameraden van de Arbeiders Jeugd Centrale, AJC, droegen een loodzware paal met stalen krans naar het huis van toenmalig premier Willem Drees. Ze richtten de paal op, grepen de gekleurde linten vast die aan de krans hingen en paradeerden sierlijk in het rond... 'als eerbetoon onder het goedkeurend oog van onze grijze en geëerde voorman'.

 

meiboom1931

Dansen rond een meiboom met linten in het Olympisch Stadion in Amsterdam, 1931 (www.geheugenvannederland.nl)

 

Maar dit dansen was natuurlijk niet alleen eerbetoon, het beantwoordde tevens aan een verlangen naar aardsheid en vitalisme, naar broederschap en 'oude, heilige tradities' als de 'Germaanse winterzonnewende', zoals Van der Louw het formuleert. Niet verrassend is dat nationaal-socialisten dit verlangen deelden. Al vanaf 1934 organiseerde de NSB eigen meifeesten en haar leden dansten tijdens de Bezetting als enigen rond de meiboom, want andere partijen waren verboden. Juist de NSB heeft daardoor de moderne meiviering weer de das omgedaan, want na de oorlog wilden steeds minder socialisten zich nog met een meiboom laten zien.

De Dag van de Arbeid geldt momenteel in bijna alle moderne landen ter wereld in totaal tachtig stuks, als een doorbetaalde nationale feestdag. In Europa zijn de uitzonderingen: Denemarken en Nederland, al hebben vakbondsbestuurders wel vrij en hadden Amsterdamse gemeenteambtenaren dat nog tot 2017. Dit levert een flink contrast op. Terwijl elders grote demonstraties plaatsvinden, soms gepaard gaand met hevige rellen, blijft het hier volkomen rustig. Moeten we daaruit concluderen dat Nederlanders zichzelf niet graag als arbeiders zien, zoals ze ook al geen boeren met lentefeesten believen te zijn? 

Gegeven het feit dat Nederland meer een handelsnatie dan een industriële natie is, zou dit best de hoofdreden kunnen vormen. De rest is Realpolitik. Terwijl bijvoorbeeld Frankrijk in 1948 een Dag van de Arbeid invoerde, vroeg de Partij van de Arbeid daar niet eens om, omdat zij als doorbraakpartij haar nieuwe christelijke leden niet van zich wilde vervreemden, - aldus de schrijvers van Een dag is 't van vreugde, Een dag is 't van strijd (1990).   

 

meifeest_4 

1-meiviering 1999 bij het Spiekmannmonument in Rotterdam. (ANP)


Toch kan inmiddels ook voor andere Europese landen de vraag worden gesteld waarom zij nog aan die dag vasthouden, want echte arbeiders zijn er weinig meer en zo ze er zijn dan heten ze operator of anderszins. De Nederlandse toerist die in Parijs voor een gesloten museum komt te staan zal in elk geval nauwelijks begrijpen dat ook museummedewerkers op de Dag van de Arbeid vrijaf moeten hebben, al verzachten de lelietjes-van-dalen die Fransen elkaar dan schenken de ergernis. 

 

Meifolklore

 

Desalniettemin heeft de oude meiboom nog diverse sporen in Nederland nagelaten. De paasstaak van Denekamp, de pinksterkroon van Deventer en de kallemooi van Schiermonnikoog herinneren eraan, evenals de traditionele boomtak op het hoogste punt van een bouw. Verder resteren in Zuid-Limburg enkele echte meibomen.

Aantoonbaar de oudste is de Sint Brigida-den van Noorbeek, die naar verluidt bijna 380 keer is geplaatst, hoewel de oudste schriftelijke vermelding dateert uit 1787. De jonkheid, waar vroeger iedere ongehuwde jongeman deel van uitmaakte, maar die nu slechts een beperkt aantal leden telt, haalt de boom op de zaterdag voor de tweede zondag na Pasen uit een bos even over de Belgische grens. Hij wordt door getrouwde mannen op het kerkplein opgezet en blijft daar tot de volgende Paasmaandag, dus bijna een heel jaar, staan. Ook Banholt kent een dergelijke meiboom, de Sint Gerlachus-den, die op de zaterdag voor Pinksteren wordt opgericht. Plaatsen als Valkenburg, Schinveld, Nieuwenhagen en Groenstaart hebben een meer reguliere mei-den.

 

* Verklaart de afwezigheid van een met linten versierde meiboom ook waarom in Nederland de traditie van gele linten, 'Yellow Ribbons', nooit is doorgedrongen? Tijdens de Engelse burgeroolog in de zeventiende eeuw werden zulke linten door puriteinen gedragen. De om een eik geknoopte variant nabij een huis diende twee eeuwen later in Engeland en Amerika als teken dat de bewoners met smart op de terugkeer van soldaten of ex-veroordeelden wachtten. Tijdens de Vietnam-oorlog raakte dit symbool internationaal bekend. En Tony Orlando had in 1973 een wereldhit met Tie a yellow ribbon 'round the old oak tree. Anno 2012 valt dit welkomstgebruik overal te signaleren, ook in België en Duitsland, maar niet in Nederland. Schroomvalligheid omtrent publieke uitingen zal hierin géén rol spelen, want in Nederlandse woonwijken valt geregeld op spandoeken een tekst te lezen als: 'Geen gelul, Henk (50) is voortaan een Ouwe Lul'.    

** Argentinië kent een beroemde tegenhanger van het meifeest, Dia de la Primavera op 21 september, waarbij vooral studenten de bloemetjes buiten zetten.


terug naar boven