U en non-U

 

U en non-U

 

Vanuit Brabant kende ik het fenomeen niet dat de elite aparte woorden bezigde om zich van het gewone volk te onderscheiden - het hele fenomeen van bekakt praten bestond er niet. Omwille van een boek over de cultuur van industriële bourgeoisie heb ik een lijstje gemaakt van zulke woorden. Mijn bronnen hiervoor waren G.L. van Lennep, Agnies Pauw van Wieldrecht, Oscar van den Boogaard e.a. 

Om niet in het Jort Kelder-syndroom te vervallen - gekscherend doen over elitair gedrag maar dat wel steeds als maatstaf nemen - zal ik eerst melden wat de meeste mensen zeggen en dan wat de oude elite zegt; ik keer het U en non-U (upperclass en non-upperclass) van Nancy Mitford dus om:  

 

zwaaien - wuiven

naakt - bloot

toilet - wc, double you, loo, plee (garderobe in formele setting).

bagage - koffers, boeltje 

boeket - bos

pilsje - biertje (Delftse corpsleden zeggen wel 'pilsje')

gezin - familie

koelkast - ijskast

bruiloft - huwelijk

met vakantie - op vakantie

verkering - omgang, verloving

woning - huis

bestek - lepels en vorken, evt. couvert

wagen - auto 

dineren - eten

transpireren - zweten

nerveus - zenuwachtig

krant - courant (en de NRC)

trottoir - stoep

mogen - willen

stropdas - das

sweater - trui

japon - jurk

duster - kamerjas

pantalon - broek

kostuum - pak

colbert - jasje

mantel - jas

nylons - kousen

slipje - onderbroek

omkleden - verkleden

kapsel - haar

gelijk - meteen

snoep - lekkers

bonbon - chocolaadje

buikpijn - maagpijn 

snee kaas - plak kaas

schik - plezier

venster - raam

heet - warm

confituur - jam

kleed - tapijt

ledikant - bed

juwelen - sieraden, bijoux

fauteuil - stoel

meubelen - meubels

dressoir - buffet

bank - canapé

fooi - douceurtje

kwaad - boos

'Graag gedaan' - 'Geen dank'

billen - achterwerk

buste - boezem, gemoed

eng - griezelig

frisdrank - iets zonder alcohol

puinhoop - chaos

met name - vooral

kleuter - klein kind

jeuk - kriebel 

zeer - pijn

snel - vlug

braken, kotsen, overgeven  - spugen

'welterusten' - 'slaap lekker'

op bed - in bed

misselijk - onpasselijk

pinda - apenootje

sperziebonen - princessebonen 

koekje - biskwietje 

bejaard - oud 

parfum - luchtje

momenteel - nu 

aankopen - achats

visite - bezoek

wezen - zijn

horloge - klokje

fruit - vruchten

salade - sla

huiskamer/woonkamer - zitkamer/de salon

morsen - knoeien

ansichtkaart - briefkaart

opwinding - agitatie

hinderen - dérangeren

chique, chic - netjes

leuk - aardig

gebakje - taartje

'smakelijk eten' zeggen - niets zeggen

trek - honger

zin in - trek in (?)

wagen - auto

autorijden - chaufferen 

vliegtuig - vliegmachine

in de war - getroebleerd

zaak - winkel

zus - zuster

notúlen - nótulen

normalíter - normáliter

catalógus - catálogus

 

 

De vraag is: zit er systeem in deze onzin? Je ziet al bij de eerste blik dat de oude elite zich liever door Frankrijk dan door Engeland liet beïnvloeden, getuige de voorkeur voor bijoux boven juwelen. Deze neiging is trouwens ook herkenbaar in de uitspraak van Franse leenwoorden, die ik niet in het rijtje vermeld. Men prefereert 'restauran' boven restaurant, 'cajhéh' boven cachet, 'injhenieur' boven ingenieur, 'vila' boven villa, 'compromie' boven compromis en 'rejhie' boven regie (maar magie blijft 'magie'). De oude elite is in deze neiging allesbehalve consequent, want zij spreekt van notoor, illusoor en emancipatoor, wat geen Fransman doet. Vlamingen spreken zelfs van 'enerchie', met de harde gee die ze normaal niet hebben. Dit zal het resultaat zijn van een bewust beleid om Franse woorden te ontfransen (zoals in het rare 'dos-sier'). 

Zeker weet ik het niet, maar ik vermoed dat in Nederland ook nog een erfenis bestaat van het komische Franderlands dat hoge kringen in de Pruikentijd bezigden. De Nederlandse adel hield, aldus Agnies Pauw van Wieldrecht, zelfs tot WO I een geheel eigen sociolect aan, le Hagois. Het Franderlands heeft volgens haar unieke mengwoorden opgeleverd als vrijage en strijkage. Zelf meen ik het nog te beluisteren bij Wim Sonneveld, een zoon van een Utrechts kruidenier die zijn leven lang op zoek was naar een  natuurlijke chic (en bij het katholicisme uitkwam). In Het tuinpad van mijn vader klinkt melancholiek bij hem als 'melankoliek', wat bij een Fransman 'melangholique' zou worden. 

Overigens moet voor sommige leden van de oude elite in een later stadium ook Engeland richtinggevend zijn geworden, getuige hun aangezette dictie bij woorden als golf (ghollef) en bridge (boridge). Een kwestie van culturele vorming lijkt me de voorkeur voor het Italiaanse 'spaghetti' in plaats van het Hollandse 'spagetti' en catálogus in plaats van catalògus.      

Nadere beschouwing van het lijstje leert je andere eigenaardigheden te begrijpen. Personen van stand verblijven niet in een huis- of woonkamer, maar wisselen af tussen hun zaal, hun salon, hun bibliotheek en hun serre. Tevens zullen zij het concept familie, waaraan zij hun status danken, hoger aanslaan dan de nucleaire vorm ervan, het gezin. En natuurlijk bezitten zij geen enkele neiging tot serviliteit, zoals weerklinkt in het huidige televisiecliché: 'Graag gedaan'.

Verder overheersen pudeur en terughoudendheid. De tegenstelling wuiven/zwaaien verheldert in dit opzicht veel. Wuiven is minder uitbundig dan zwaaien en gebeurt met een zwenkende hand op borsthoogte, niet met een arm die boven de schouders uitsteekt. Het Engelse koningshuis groet nog steeds zo, het Nederlandse niet; dat biedt bij de dames zelfs een blik op onbedekte okselholtes. Je vraagt je af wat onze oude elite daarvan vindt.

Insgelijks laten andere voorkeuren zich verklaren. Bloot is minder bloot dan naakt, warm is minder warm dan heet, boos is minder boos dan kwaad en griezelig is minder griezelig dan eng (griezelig kan eng worden). Wie spuugt, braakt niet, laat staan dat hij kotst. En wie knoeit komt niet zelf onder te zitten maar wie morst wel. Knoeien is sowieso een actieve bezigheid, je kunt expres op de jurk van je tafeldame knoeien. Morsen daarentegen is lijdelijk, iets voor stumpers. 

Subtiel zit de tegenstelling aardig en leuk in elkaar, waarbij men moet weten dat het laatste woord pas sinds het begin van de twintigste eeuw opgeld doet. Het verschil tussen beide is miniem en toch veelzeggend: iets kan op zichzelf aardig zijn, maar iets wat leuk wordt gevonden heeft al een reactie bij de spreker teweeggebracht. Hoogstaande lieden beten nog liever hun tong af dan zoiets toe te geven. Wanneer iemand niest reageren zij ook niet met: 'Gezondheid'of 'Proost'.  

Deze pudeur en terughoudendheid lijken mij al met al erg Nederlands. Engelse  aristocraten, gelet op de voorbeelden die Monty Python ons voorschotelde, munten juist uit in exclamaties als fabulous, jolly en adorable, ook voor zaken waarvan gewone mensen nauwelijks onder de indruk raken, - en zijzelf vermoedelijk slechts quasi, om zich aldus te onderscheiden. Het Nederlandse U-vocabulaire is zoals de sprekers ervan: vooral calvinistisch. Daarom zou het mij niet verbazen als in veel situaties nette protestanten precies dezelfde woorden bezigen.

Wat de oude elite wel uniek maakt is dat zij rond 1900 de klok voor zichzelf lijkt te hebben stilgezet. De opkomst van het fabrieksmatige biskwietje nam zij nog net mee en ook de start van de auto-industrie bezag zij met voldoening, al hield zij het op de Franse uitspraak voor auto (oto). Maar andere nieuwe woorden werden niet meer overgenomen, zelfs als het totaal nieuwe producten betrof. De moderne Pils uit Pilzen, het gebakje als minitaartje en de gevulde bonbons drongen in Nederland net voor of na de vorige eeuwwisseling door. De oude elite volhardde in traditionele aanduidingen, wat in het geval van 'chocolaadje' overigens een zeer schamele weergave van de werkelijkheid oplevert. Of vergissen mijn informanten zich met pralines? Volgens het boekje Oud geld van Yvo van Regteren Altena e.a. kunnen bonbons wel door de beugel. 

Gewenning speelde bij deze voorkeur zeker een rol. Als iemand van oudsher een 'klokje' in zijn vestzak heeft zitten, dan zal hij die term makkelijk overdragen naar het moderne polshorloge dat frontsoldaten tijdens de Eerste Wereldoorlog gingen dragen. Als iemand eerst een ijskast bezit, dat wil zeggen: een kast met een heuse staaf ijs erin, dan zal hij die term algauw handhaven wanneer de elektrische koelkast haar intrede doet. Hetzelfde geldt voor wc en toilet - de eerste toilet die in huizen verscheen heette nu eenmaal wc (watercloset).  

Maar omgekeerd snobisme deed zich ook voor. Deftige woorden die winkeliers ter promotie van hun artikelen aan het Engels en het Frans ontleenden, tot aan fruit en chique toe, werden allemaal afgewezen. De schrijfster Ileen Montijn, zelf van notabele komaf, zegt in dit verband dat 'vooral pogingen om het goed te doen' genadeloos werden afgestraft. Maar ik vermoed dat het verwaande onwil is geweest om dezelfde termen als middenstanders te gebruiken, zoals ook theedrinken met een geheven pink  gemaniereerd werd gevonden zodra middenstanders dat gingen doen. In elk geval uit onwil zijn dameskousen bij aristocats nooit nylons geworden, een televisie nooit een tv en een vliegmachine nooit een vliegtuig, hoewel vliegtuig veel mooier klinkt. En ronduit beter dan 'mes en vork' is de aanduiding 'bestek', maar nee. 

In plaats van actieve distinctiedrang, moeten we concluderen, was er dus sprake van passieve distinctiedrang. Hetzelfde spreekt uit de gewoonte van sommige rijken om in afgetrapte auto's te blijven rondrijden. Conspicious non-consumption, zou Thorstein Veblen dit fenomeen gedoopt kunnen hebben; Ileen Montijn spreekt van 'shabby chic'. Het motto ervoor lijkt aan de dichter J.C. Bloem te zijn ontleend: 'Iedere verandering is een verslechtering, zelfs een verbetering.' Ik vermoed dat deze houding niet zozeer gericht was tegen industriëlen alswel tegen winkeliers, speciaal uit de kledingbranche, die ook de eerste winkeliers zijn geweest die heuse villa's konden betrekken (na hen kwamen de slagers). Door simpelweg al hun reclametermen te negeren, kreeg de oude elite automatisch de beschikking over een uitgebreide collectie valkuilen voor upstarts. 

Verbazen blijft het spraakgebruik van de oude elite desondanks wel. Volgens G.L. van Lennep was eenvoud de crux ervan. Dat lijkt inderdaad te spelen bij de voorkeur voor honger boven het bescheidener 'trek', waarvan het mij niet zou verbazen als dat uit de gristelijke hoek stamt. Toch zit het anders in elkaar. Woorden als agitatie, canapé en dérangeren zijn heus niet eenvoudig. Een barones vroeg mij eens of ik al vue had gehad op de prijzentafel van het bridgetoernooi waaraan zij en ik deelnamen. Nee, maar ik had er wel naar gekeken.

Tegelijkertijd leert het lijstje dat de wens 'welterusten' als ongepast werd beschouwd; in plaats daarvan zei men: 'slaap lekker'. Maar 'lekker', is dat niet een beetje te direct? Wie weleens aristocraten heeft ontmoet, weet dat zij over lichaamsfuncties inderdaad openlijk praten. Zelfs het woord pissen is niet ongebruikelijk, al komt dat oorspronkelijk van het Franse pisser, waarop het befaamde pipi (en het Engelse pee) is gebaseerd. Pissen is pas ordinair geworden toen Jan met de Pet dat van nette mensen overnam, behalve voor de oude elite, die daarmee nette mensen te kakken kon zetten - een jojotruc, lijkt het wel.

Hetzelfde geldt voor een begrip als burgerlijk. Iedereen gebruikt dat, zo niet de oude elite, want die kent naast zichzelf slechts één andere categorie: gewoon volk. Zelf zou ik het woord burgerlijk echter niet willen missen, want ook aristocraten zijn het dikwijls, en zelfs kleinburgerlijk.

Inmiddels, begrijp ik, is er op dit vlak toch enige nivellering opgetreden. Zo heeft 'leuk' eveneens een plekje veroverd binnen het adelsdialect, en wel sinds 1935, voegt Agnies Pauw van Wieldrecht er schattig aan toe (hoewel zij 'schattig' ten strengste afkeurt). Ook zal de oude elite onderhand wel ontdekt hebben dat niet iedereen in een huis woont, dat het begrip venster meer omvat dan een raam en dat een tapijt meestal gefixeerd op een vloer ligt en een kleed los, bijvoorbeeld óp het tapijt.

Andere termen daarentegen hebben als middel tot ontmaskering glorieus de tand des tijds doorstaan. Sterker nog, zij zijn juist over de industriële bourgeoisie verspreid geraakt, ook weer om lieden met minder status te betrappen. Deze groepering was aanvankelijk zuivere nouveau riche, zoals de adel en het patriciaat dat op hun beurt eens waren. Maar na twee, drie generaties had zij voor zichzelf een categorische naam bedacht: Ons Soort Mensen ('OSM'), iets wat vroegere elites nooit nodig hebben gehad, omdat zij uitsluitend onder elkaar verkeerden. Na weer twee, drie generaties begon niettemin een versmelting van de bourgeoisie met de aristocratie.

Volgens mij is het Gert-Jan Dröge geweest die in de jaren negentig voor deze gezamenlijkheid de term Oud Geld heeft geïntroduceerd, oorspronkelijk een Amerikaanse notie, lijkt me, daar Amerikanen bij gebrek aan een inheemse adel voornamelijk op basis van welstand selecteren. Het Nederlandse Oud Geld zal beslist hebben moeten wennen aan die term, want geld bezat het vaak niet, wel status. En die was meestal verkregen door maatschappelijke verdienste in plaats van poen. Er klinkt daarom armzaligheid in deze kwalificatie door. 

Tegenover Oud Geld kwam uiteraard te staan: Nieuw Geld. Tussen beide categorieën bivakkeren inmiddels lieden van allerlei slag die dolgraag bij Oud Geld geschaard zouden willen worden en tegelijk het geld ontberen om voor nouveaux riche door te gaan. Volgens mij zijn dit degenen die nu spreken van 'OSM'. Op feestjes in Het Gooi heb ik regelmatig beluisterd hoe zij, vooral jonge moeders, elkaar rijtjes voorhielden van wat U en Non-U was, inclusief gespeelde huiver bij 'kostuum' en 'transpireren'. 

Ik moet zeggen, er gaat ook iets infecterends van deze woordenschat uit. De grootste sufferd kan zich heel wat wanen door zich ermee te tooien. Wat mijzelf betreft, ik prijs me gelukkig met het feit dat ik in mijn jeugd tenminste naast mensen heb gewoond die al een ijskast bezaten toen mijn ouders nog van een koelkast droomden. Voor taalgevoeligen ligt ijskast ook enigszins voor de hand, want plannen liggen in een ijskast, nooit in een koelkast. Maar verder weet ik dat 'klasse' van alle standen is; iemand die anderen op taalgebruik beoordeelt, bezit die kwaliteit niet.

Toch wil ik me niet heiliger voordoen dan ik ben. Het woord toilet krijg ik niet over mijn lippen; misschien heb ik teveel Franse romannetjes gelezen waarin dat staat voor kleding oftewel garderobe, welk laatste woord weer een eufemisme moet zijn voor een wc in hotels en theaters; minstens even erg. Ook is er zoiets als algemene ontwikkeling. Van iemand die golfen uitspreekt als golven (van de zee) stel ik verbaasd vast: Gôh, jij kent zelfs geen mensen die mensen kennen die tot de eerste generaties golfers behoorden. Ook 'spagetti' en 'restaurant' met een duidelijke 't' aan het eind vind ik nogal provinciaals klinken, al zal ik daarin niemand corrigeren. Dat doe ik wel en heel spontaan bij catalògus, want zo heb ik het niet op school geleerd en schoollessen zijn blijkbaar heiliger dan lessen uit het gewone leven.

Voor het overige geldt: standsbesef deugt niet, maar de ontkenning ervan evenmin. We hebben het dan over snobisme dat zowel in opwaartse als neerwaartse richting voorkomt. Snobisme maakt mensen in mijn ogen ongeloofwaardig. Waarom gebruikt meubelontwerper Jan des Bouvrie nog steeds het moeizame 'meubelen' - dat heeft toch niets met zijn woordblindheid te maken? En de schrijver Martin Bril, die gesjochtenheid als handelsmerk voerde, schreef ooit over de 'pantalon' van Charlie Watts, de drummer van de Rolling Stones. Ontzettend jammer! 

Steeds vaker herken ik ook de kriegeligheid die de oude elite bij nieuwigheden moet hebben bevangen, zeker wanneer duidelijk wordt dat mensen als ik niet langer de toon zetten. Ik schat vanaf 1995 dat Het Acht Uur-journaal eindigde met 'prettige avond' in plaats van 'goedenavond'. Ik vond dat nogal populair en opdringerig, maar alla. Rond 2010 begon Sacha de Boer ons een 'fijne avond' toe te wensen. Een fijne avond - mijn gefluisterde reactie is steevast: 'Bemoei je met jezelf, mens.' 

 

* Wie zich wil voegen naar het upperclass-vocabulaire dient te bedenken dat ook mimiek iemands bescheiden komaf onthult. Knipoogjes geven bijvoorbeeld, tenzij dat gebeurt met de juiste graad van distantie. Of geluidloos naar anderen lachen met een scheefgetrokken onderkaak. En als je jezelf van zulke ongerechtigheden hebt gezuiverd, kan het altijd nog zijn dat je een moeder hebt die als een Edith Bunker door het huis draaft. Daarom luidt het belangrijkste advies dat ik kan geven: Heb meelij.

* In haar indrukwekkende boek Hoog geboren (2012) betoogt Ileen Montijn dat de aanspreekvormen 'pappie' en 'mammie' een nobele oorsprong hebben. Voor 'papa' en 'mama' vermoedde ik dat, want dat zijn Franse leenwoorden, waar de adel tuk op was. Volgens www.delpher.nl blijken zij al in 1828 aan hun opgang te zijn begonnen. Ik dacht echter dat de vervoegingen 'pappie' en 'mammie' typisch waren voor de bourgeoisie, die als eerste kinderkamers in haar villa's liet aanleggen en veel ontvankelijker dan de adel was voor de lokroep van de Eeuw van het Kind. Maar de schrijfster overtuigt: 'pappie' en 'mammie' vormden een publieke demonstratie van intimiteit die anderen buitensloot: 'Wie zo spreekt, toont zichzelf met aristocratisch zelfvertrouwen als het middelpunt van de wereld.'

Montijn meldt voorts dat koosnamen, niet te verwarren met bijnamen, eveneens des adels waren. Inderdaad, zelfs het hele gebruik van voornamen is afkomstig uit die hoek. Immers, een graaf moet een voornaam hebben, anders weet je niet om welke graaf het gaat. 'Sir First Name' geldt in Engeland van oudsher als toegestaan eerbetoon ('You may call me sir Francis'). Bij ons hebben vooral industriëlen aan de populariteit van voornamen bijgedragen. In familiebedrijven bestonden reeksen Fritsen en Pieten, met 'meneer' ervoor. Toch bleven ook onder de bourgeoisie voornamen lang ongebruikelijk; men bestond voor de buitenwacht als achternaam, als lid van een bepaalde familie. Het zou ondenkbaar zijn geweest, zoals in de jaren zeventig usance werd, dat mensen zich louter met hun voornaam voorstellen, een nogal bête gewoonte trouwens, want dat maakt hen verder ontraceerbaar. ('Zeg ken jij Karel?' 'Karel, wie?')

Een mooie illustratie van de oude opvatting levert G.L. van Lennep in Fatsoen (1988). Wanneer het voorval speelde blijft onduidelijk, maar na de oorlog, dunkt me. Een neef van hem biljartte al twintig jaar op een herensociëteit met een medelid en opperde toen elkaar voortaan te tutoyeren. De keer daarop zei die man tegen zijn neef: 'Frans, zullen we gaan biljarten'. Maar dat was absoluut de bedoeling niet. Het moest zijn: je en jij en 'Van Lennep'. 

Uit mijn eigen Brabantse jeugd kan ik het volgende melden. Wij zeiden thuis niet zozeer 'papa' en 'mama' alswel 'pap' en 'mam', in een vrijmoedige bui afgekort tot 'pa' en 'ma', al stelden mijn ouders dit laatste minder op prijs. Nu kwamen beiden uit het verlichte Rotterdam. Wij hoefden hen zelfs niet met 'u' aan te spreken, wat toen uitzonderlijk was, want in de Betuwe heb ik recentelijk nog leeftijdgenoten van mij ontmoet die hun kinderen 'u' lieten zeggen. Maar 'pappie' en 'mammie' vonden wij aanstellerig; iets minder erg dan 'paps' en 'mams', dat volgens mij een kneuterige protestantse oorsprong heeft. Een Helmonds vriendje van mij sprak voortdurend over zijn pappie en zijn mammie, en die had op zijn slaapkamer twee washandjes naast zijn wastafel hangen, voor onder en boven, alhoewel zijn familie pas een jaar of tien een fabriek dreef! De rest van de stad sprak veelal oudmodisch van 'vader' en 'moeder'. En nog sterker: zelfs die vader en moeder zeiden dat onderling tegen elkaar.

Wat betreft de koosnamen, die waren in mijn jeugd volstrekt ongebruikelijk, net als 'lieve schat' of de zogenaamde Brabantse drieklapper. Anderzijds waren bijnamen als aanspreekvorm ook definitief passé, zeker de beledigende van een generatie eerder. Toch werd je buiten je familie niet vaak met je echte voornaam toegesproken. Zelf werd ik door mijn klasgenoten meestal 'Jagertje' genoemd en voor mijn onderwijzers heette ik kortweg: 'De Jager'. Zes jaar oud was ik, mijn voeten bungelden boven de vloer wanneer ik in de bank zat, en als ik voor het bord moest verschijnen, kreeg ik te horen: 'De Jager, hier!' Ongetwijfeld was dit een ouderwetse en zuidelijke manier van doen. Over Limburg in de jaren twintig van de vorige eeuw meldt Toon Hermans in zijn Levensboek hetzelfde, maar in De gelukkige klas van Theo Thijssen uit 1926 werden Amsterdamse leerlingen al wel bij hun voornaam genoemd, al was dat toen een pedagogisch issue, dus vrij nieuw.  

* Dhr J. de S. te H. meldde mij dat 'inchenieur' en 'rechie' typisch Brabants zijn, overeenkomstig de Vlaamse gewoonte om Franse leenwoorden te vernederlandsen. Dat zou betekenen dat Brabanders inmiddels een grote invloed op onze taal hebben, want je kunt die uitspraak tegenwoordig in het hele land beluisteren. Ik wist wèl dat Brabanders consequent spreken van 'koninchin' i.p.v. koningin. Heel vreemd; kunnen zij eindelijk een woord met een zachte gee uitspreken, doen zij het niet. Een hypercorrectie? Het is jammer dat neerlandici zo weinig over dit soort zaken publiceren.

* Nog een raadsel: illusoor vind ik lastig, maar ik zeg wel notoor en emancipatoor. Toch lees en lispel ik die woorden als notoir en emancipatoir. Betekent dit dat praten en lezen in gescheiden hersendelen plaatsvinden, die elk over een eigen woordenschat beschikken, of fluistert een Amy Groskamp-ten Have mij telkens op het laatste moment in hoe ik die woorden dien uit te spreken? 

* Anno 2012 doemt een nieuwe tegenstelling op: afwasmachine/vaatwasser. Het laatste, meest recente woord is misschien iets te plastisch, maar wel duidelijker en als lettercombinatie fraaier. Snobs, heb ik gemerkt, praten al frank en vrij over vaatwasser, anti-snob snobs zullen zich nog decennia bepalen tot afwasmachine. 

 

 

Kring van Vrije Antropologen, november 2011 e.v. www.kva.nl


terug naar boven