Dood en Begrafenis

 

 

* De getemde dood, De eigen dood, De gestadige dood, De dood van de ander, De gewone mensendood, De verboden dood, De grote dood, De kleine dood, Minderheden.

 

Vroeger stierven er meer mensen dan nu - kan dat? Letterlijk gesproken natuurlijk niet. Iedereen sterft maar een keer en bovendien telde Nederland tot aan de industriële revolutie amper één miljoen inwoners. Toch, met een kindersterfte van een op de drie en een gemiddelde levensverwachting van dertig jaar, lag destijds de dood voor een ieder permanent op de loer. Wie vandaag de middelbare leeftijd bereikt heeft in zijn naaste omgeving dikwijls nog geen enkel sterfgeval meegemaakt; vroeger konden dat er tien, twintig zijn. Heel gewoon waren ook verdrietige personages van wie je nu meer zelden hoort: wezen, jeugdige weduwen en weduwnaars. Zij kregen doorgaans te maken met een andere verdwenen categorie: de stiefvaders, stiefmoeders, stiefbroers en stiefzussen van vóór de echtscheidingsgolf, die niet voor niets in menig sprookje een harteloze rol vervullen.

 

pan

Anoniem portret van de familie Pan, ca 1650. Het echtpaar kreeg elf kinderen, van wie er slechts twee in leven bleven. Dat de familie zich aldus liet afbeelden toont hoe hecht de band met ieder kind was. Westfries Museum, wikipedia.

 

Er werd dus vroeger wel degelijk meer gestorven. Hoe kort geleden dat nog is, mag blijken uit het lot van de anarchist Ferdinand Domela Nieuwenhuis (1846 - 1919). Nieuwenhuis groeide op in een welvarend milieu en kende nimmer gebrek. Niettemin verloor hij in zijn jeugd beide ouders en een broer, en eenmaal getrouwd verloor hij vijf kinderen en drie echtgenotes. De dood van drie echtgenotes, steeds aan kraamvrouwenkoorts, was ook voor zijn tijd een uitzondering maar zelfs zo'n uitzondering komt tegenwoordig nooit meer voor. 

De vraag is: hoe gingen deze mensen met al hun overledenen om en hoe gedroegen zij zich in hun eigen stervensuur?  

 

lijkstoeten


A. een staatsbegrafenis, B. een deftige begrafenis met mannen te voet, C. een kinderbegrafenis met een lijkwagen waarop vrouwen zitten, D. een kinderbegrafenis per slede, F. een boerenbegrafenis van een kraamvrouw met mannen en vrouwen te voet. Uit: J. le Francq van Berkhey, Natuurlijke historie van Holland, 1776. (Atlas van Stolk)

 

De Franse historicus Philippe Ariès (1914 - 1984) onderscheidt in het Westen de afgelopen duizend jaar vijf chronologische houdingen ten opzichte van de dood, die elkaar overlapten: de Getemde dood, de Eigen dood, de Gestadige dood, de dood van de Ander en de Verboden of Omgekeerde dood. Wij zullen zijn betoog volgen, met enkele kleine amendementen. De doodsbeleving sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw heeft Ariès niet meer meegemaakt, en die valt ook moeilijk in een enkele term samen te vatten. Verboden of omgekeerd is zij in het geheel niet meer, zij is juist theatraal en emotievol, althans als het om slachtoffers gaat die kort daarvoor nog volop in de maatschappij stonden. In de trant van Ariès noem ik deze beleving bij gebrek aan beter de Grote dood. Tegelijkertijd echter wordt over het heengaan van ouderen en zieken zakelijker dan ooit gedacht, dus is er rondom hen eerder sprake van een Kleine dood. Of deze twee belevingen in de toekomst nog bij elkaar zullen komen, valt te betwijfelen.  

 

De getemde dood 

 

Heel lang overheerste bij de meeste mensen berusting als het moment daar was. Iedereen wist precies wanneer hij dood ging; bedrog, doen alsof het einde niet naderde, kwam nooit voor. Men ging liggen, liet familie, buren en zo mogelijk een priester komen en nam officieel afscheid. Het sterven was dus openbaar - ook kinderen waren erbij aanwezig - en de persoon in kwestie 'leidde' zelf de gebeurtenis. Na de absolutie wachtten de aanwezigen zonder vertoon van emoties op de laatste adem van het slachtoffer. De doodsstrijd was in de tijd dat de geneeskunst nog weinig voorstelde, wreed en pijnlijk maar meestal kortstondig.

Voor de nabestaanden begon nu de rouw. Van oudsher waren de eerste reacties zeer fel. Naasten vielen flauw, krabden zich het gelaat open, rukten haren uit hun hoofd of scheurden hun kleren aan flarden. Maar ook al liepen de gemoederen hoog op, de weeklachten duurden niet lang. De dood was aanvaard, of zoals Ariès dat noemt: getemd

 

denb13

'De Doodgraver' met een zeer informeel knekelhuisje uit Het menselijk bedrijf van Jan Luyken (1694). Veel knekelhuisjes zijn in vorige eeuwen vervangen door knekelgraven. Het laatste open knekelhuisje heeft tot 1930 op Urk gefunctioneerd. (Atlas van Stolk).

 

Zonder opbaring vooraf en slechts in een lijkwade gehuld volgde nu de begrafenis van de overledene. Ariès gaat terloops aan dit punt voorbij, maar in het voorchristelijke Europa was begraven niet de regel. De Germanen en de Kelten, ook bekend als Galliërs, plachten hun doden veelal te verbranden. Hetzelfde gold voor de Noormannen die tot in de elfde eeuw het continent afstroopten en in het naar hen vernoemde Normandië definitief voet aan de grond kregen. In het jaar 785 stelde Karel de Grote echter een verbod op crematie in. Net als joden en moslims, met wie zij aartsvader Abraham delen en dus verwantschap bezitten, volgden christenen de begraaftraditie van alle antieke beschavingen rondom de Middellandse Zee. Gebrek aan brandhout kan die traditie heel wel hebben ingegeven, maar begraven sloot ook beter aan bij het leerstuk van de wederopstanding op de Dag des Oordeels. Volgens de kerkelijke leer keert God dan terug om de zielen van overledenen te herenigen met hun lichaam en daarvoor is het uiteraard handig als alle stoffelijke resten netjes bijeen liggen. 

 

hemelgoltzius

Gelukzaligen wacht de hemel, aldus Mattheus 13: 43. Gravure Hendrick Goltzius, 1577. Zielen van mensen kunnen de hemel meteen bereiken, hun stoffelijk lichaam pas na het Laatste Oordeel. Volgens de christelijke opvatting is de hemel geen lusthof voor wereldse genoegens, maar een paradijselijke plek waar men in de nabijheid van God mag verkeren. www.geheugenvannederland.nl   

 

De eerste christelijke graven droegen nauwelijks kentekens, zoals ook bij joden en moslims het geval was. Een onderscheid met hen ontstond toen vanaf de negende eeuw christenen toelieten dat graven van geloofsgenoten na verloop van tijd geruimd werden en de resterende botten verhuisden naar een knekelhuis of knekelput voor een 'tweede begrafenis'. Het Duitse Fulda kent zo'n knekelhuis - ook wel: ossuarium - al sinds het jaar 822, maar vaak diende een overkapte hoek van het kerkhof als zodanig. Ondanks het idee van de herrijzenis aan het einde der tijden hielden christenen niet vast aan permanente grafrust die zo'n herrijzenis althans faciliteert. Het kon hen zelfs weinig schelen dat beenderen in knekelhuizen met die van anderen vermengd raakten en voor iedereen zichtbaar werden geëxposeerd in soms zeer kunstzinnige formaties.

Deze nonchalance, want daar lijkt het op, stamt allicht uit de tijd van de Romeinse vervolgingen, toen christenen heimelijk hun doden etagegewijs begroeven in kilometerslange catacomben. Knekelhuizen lijken vaak op een dwarsdoorsnede van een catacombe, inclusief de etagebouw. De nonchalance zal verder zijn aangemoedigd door drukte op het kerkhof. Die drukte kon incidenteel zijn, zoals ten tijde van de Zwarte Dood in de veertiende eeuw, waarbij een derde van de Europese bevolking het leven liet, maar  ook structureel: de catacomben van Parijs herbergen de beenderen van maar liefst zes miljoen Parijzenaars, afkomstig van overvolle kerkhoven. Ook voor Nederland speelde dit laatste. Een beroemde televisieserie uit 1977 heette 58 Miljoen Nederlanders, zijnde het totale aantal mensen dat tot dan op Nederlands grondgebied had gewoond. Als die 58 miljoen allemaal een eigen permanent graf hadden gekregen, ongestapeld bovendien, zoals moslims eisen, dan had Nederland in omvang vier keer zo groot moeten zijn. 

 

De eigen dood


Voor de grote massa van Europa heeft de berusting in de dood tot in de negentiende eeuw geduurd, maar onder de elite veranderde de perceptie sinds het jaar 1000. In de opkomende steden groeide het besef van eigen identiteit, zeker bij degenen die rijkdom genoten. Als uiting hiervan maakte Magere Hein zijn picturale opwachting. Op afgebeelde dodendansen stortte hij zich in halfvergane staat met een zeis op de levenden, zonder rekening te houden met rang en stand. Vergankelijkheid en mislukking werden aldus aan elkaar gekoppeld: Memento mori

 

hel1920.jpg

Deel van een affiche voor het toneelstuk De hel van de protestantse Vereeniging tot Bescherming van Jonge Meisjes, ca 1920. De hel is eerder geprofaneerd dan de hemel. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zou Jean Paul Sartre noteren: 'De hel, dat zijn de Anderen'. www.geheugenvannederland.nl 

 

Op schilderingen van sterfbedden verschenen nu ook bovennatuurlijke wezens, die ter plekke het Laatste Oordeel vertolkten - in het sterfvertrek en niet aan het einde der tijden, zoals in de bijbel te lezen staat. Hiermee werd voor het eerst een relatie gelegd tussen iemands dood en zijn persoonlijke levensverhaal. De houding van het slachtoffer tijdens zijn laatste uren bleef bepalend. In de twaalfde eeuw schreef de aartsbisschop van Canterbury met het oog hierop een etiquetteboek, Ars Moriendi, dat in het Nederlands De Conste om wel te sterven kwam te heten.

Bij deze verheviging hoorde een verzachting. Al bij de oudste kerkvaders heerste de gedachte dat er iets tussen de hemel en de hel in moest bestaan, een plek waar mensen die een opgebiechte doodzonde hadden gepleegd nog enige tijd hun schuld moesten delgen en pekelzondaars een loutering ondergingen vooraleer zij ten hemel mochten varen. Omdat in de hel vlammen brandden lag het voor de hand dat die loutering eveneens middels vlammen geschiedde: het vagevuur. Vanaf de elfde eeuw kregen de ideeën daaromtrent steeds vastere vormen, en drie eeuwen later gaf de Italiaanse dichter Dante er een gedetailleerde beschrijving van in zijn Il Purgatorio (De Louteringsberg). Uiteindelijk zou het concilie van Florence in 1439 het vagevuur als kerkelijk leerstuk omarmen. Ook nabestaanden kregen daarbij een rol toebedeeld: door te bidden voor het zielenheil van een overledene konden zij diens verblijf aldaar bekorten.

 

vagevuur.jpg

Detail 18de eeuwse devotieprent met een voorstelling van het vagevuur, door A.J. Heydreix. Bovenin en rechts redden engelen mensen uit de vlammen. Linksboven H. Maria, als altijd biddend voor zondaars. www.catharijneconvent.nl


Intussen werden de begrafenissen van de elite steeds omvangrijker en praalzuchtiger. Van Karel V is zelfs bekend dat hij nog tijdens zijn leven een generale repetitie van zijn uitvaart liet houden. Voornaam onderdeel daarvan was de opbaring, die zijn onderdanen in staat stelde afscheid van hem te nemen. Hier begon de christelijke traditie andermaal af te wijken van de joodse en islamitische. Voor zo'n opbaring, die bij hoogwaardigheidsbekleders soms weken duurden, was balseming een vereiste, maar een makkelijker alternatief bood de doodskist, een object waarmee de Egyptenaren overigens al vertrouwd waren. In Europa deed de doodskist in de veertiende eeuw zijn intrede, om drie eeuwen later pas algemeen te worden.

Bij de opbaring hoorde ook dat de graven een persoonlijker karakter kregen. De Romeinen begroeven hun keizers en hogepriesters in bovengrondse stenen sarcofagen en die gewoonte namen christenen voor hun eigen leiders over. De sarcofagen kregen zelfs uitvoerige opschriften en versieringen, zodat ze uitgroeiden tot tombes. Mindere goden bleven onder de kerkvloer bijgezet worden, maar hun grafstenen toonden voortaan duidelijke inscripties. Missen ter nagedachtenis van overledenen kwamen ook op om hun verblijf in het vagevuur te bekorten.

 

denb2

Een van de weinige graftombes met een symbolisch lijk in Nederland: Reinoud III van Brederode en zijn vrouw in de Hervormde Kerk van Vianen, midden 16de eeuw. Tijdens de Beeldenstrom werden overigens eregraven als deze gespaard. (Foto Pieter Söhngen)

 

Onder de elite heeft de zogenaamde 'eigen dood' volgens Ariès tot in de achttiende eeuw gefloreerd. Het memento mori werd in de Renaissance weliswaar vervangen door  carpe diem (pluk de dag), maar de vertrouwdheid met de dood bleef. In katholieke landen getuigen daarvan talrijke barokke graftombes, waarop de overledene op zijn sterfbed is afgebeeld - als gisant, zo luidt de vakterm. Nota bene: zulke graftombes waren vaak het enige monument voor iemand, want 'levende' standbeelden in het publieke domein kwamen veel later in zwang, wat aangeeft hoe sterk het doodsbesef was.

Nederland telt relatief weinig van zulke gisants. De zeventiende-eeuwse praalgraven voor Willem van Oranje in de Nieuwe Kerk van Delft en voor Michiel de Ruyter in de Nieuwe Kerk van Amsterdam laten beiden in die hoedanigheid zien. Hetzelfde doen de twee 'dubbeldekkers' die Nederland rijk is. In de renaissancistische dubbeldekker van de Grote Kerk te Breda van omstreeks 1500 liggen de beeltenissen van Engelbert I van Nassau en zijn vrouw op het onderste dek en van diens wapenrusting op het bovenste dek. Michelangelo is nog met dit graf in verband gebracht, een niet-onbegrijpelijk fabeltje. In de Hervormde kerk te Vianen liggen daarentegen Reinoud III van Brederode en zijn vrouw bovenop en onderop ligt een lijk in verregaande staat van ontbinding, een transi macabre, compleet met wormen die oorspronkelijk goud waren geschilderd. Hoewel dit een halve eeuw later vervaardigd is dan dat van Engelbert van Nassau, ademt het veel meer een katholieke geest van berouw en memento mori uit.

 

praalgrafwillemvanoranje

Praalgraf uit 1623 voor Willem van Oranje  (1533 - 1584) in de Nieuwe Kerk van Delft, ontworpen door Hendrick de Keyser. De resten van de 'Vader des Vaderlands' liggen overigens in een nabije grafkelder, samen met die van tientallen andere Oranjes, want zij zijn de enige Nederlanders die nog in een kerk mogen worden begraven. Dirck van Delen, 1645, www.rijksmuseum.nl.  

 

De meeste hoogwaardigheidsbekleders en rijkaards in Nederland lieten zich echter in de kerkvloer bijzetten, in plaats van in een bovengrondse schrijn nabij het koor of tegen de binnenmuren, zoals in zuidelijke landen gebeurde. Dit was pronkzucht in combinatie met nederigheid, want in de meest lettelijke zin van het woord lieten deze mensen over zich heenlopen. En de herinnering aan hen vervaagde naarmate de bovenzijde van hun steen sleet onder het schoeisel van de kerkgangers.

 

rouwbord2

Reconstructie van een rouwbord voor de tentoonstelling Woord en wapen in de Grote Kerk van Breda in 2010. In Nederlandse kerken hingen ooit duizenden van zulke borden, nu nog slechts enige tientallen.  www.grotekerkbreda.nl

 

Wellicht hierom deed zich vanaf de zestiende eeuw een nieuw fenomeen voor: rouwborden van minstens een meter hoog die tegen een vergoeding in de kerk mochten hangen. Dit nam een enorme vlucht: de Grote Kerk van Breda telde aan het eind van de achttiende eeuw maar liefst 227 van zulke borden, waarop niet meer dan een familiewapen en een jaartal stond. Op de tijdreiziger die elke historicus is, moet dit een bijzonder vreemde indruk maken. Diezelfde kerk was net als de meeste kerken na de Reformatie door protestanten grondig gezuiverd van devotionalia en  heiligenbeelden; in plaats daarvan hingen er nu van onder tot boven familiewapens van gelovigen; blijkbaar wel oké. Aan deze profanatie van wat nog steeds godshuizen waren, kwam overigens wel een eind. De Bataafse Republiek oordeelde in 1798 dat rouwborden niet overeenstemden met de revolutionaire leus Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap en het standsbesef versterkten: ze moesten worden verwijderd. Ook zijn toen wel familiewapens van kerkelijke grafstenen afgebikt, of gelicht als ze in brons waren gegoten.  



De gestadige dood


Het woord Reformatie is gevallen... De instelling van het vagevuur riep tevens het verschijnsel aflaat in leven. Aanvankelijk konden gelovigen papieren aflaten kopen, om hun verblijf in het vagevuur te bekorten of zelfs te ontlopen als ze voor een zogenaamde volle aflaat betaalden. O.a. de Sint Jan in 's-Hertogenbosch is op deze manier gefinancierd. Alhoewel het Concilie van Trente reeds in 1562 een dergelijke 'aflatenhandel' verbood en alleen aflaten erkende die door gebed tot stand kwamen, bleven protestanten zich verzetten tegen het hele idee van een aflaat. Zij wezen bovendien het vagevuur af; idem dito de biecht, want een priester kon niet uit Gods naam vergiffenis schenken. Ook nam het H. Doopsel volgens hen de erfzonde niet weg; een ieder bleef daarmee behept tot aan zijn dood. Door dit alles werd, aldus Ariès, de dood voor protestanten geen eenmalige gebeurtenis aan het eind van het leven, maar werd het hele leven een gestadig sterven. Eenvoud en soberheid hoorden daarbij; ascese. Van de dood dienden mensen permanent doordrongen te zijn.

Het sterven zelf werd daarbij voorgesteld als een weinig dramatische aangelegenheid, ja, als een bevrijding uit het aardse tranendal. Van sommige dominees zijn wat dit betreft inderdaad krasse staaltjes bekend. De hervormer Gnapheus noemde in Een troost ende spiegel der siecken uit 1531 de dood niet meer dan 'een vlobeet die de zielen niet en schaadt'... 'Zij maakt den zonden een einde, zij lost ons van veel cativigheid ende verdriets'. Over de Gelderse hervormer Johannes Fontanus, overleden in 1615, gaat het verhaal dat hij demonstratief met zijn vingers zijn ogen sloot voordat hij zijn laatste adem uitblies. Een populair bijbelcitaat in die dagen was: 'Beeter is den dag des doods, dan den dag dat imand gebooren word.'

 

prediker.jpg


'Beeter is den dag des doods, Dan den Dag dat iemand Gebooren wordt', titelblad van grafredes door de doopsgezinde leraar Jan Willemz Ris uit 1744. Rechts zitten vrouwen onder een zogenaamde huik. (Atlas van Stolk)


Hoe dichtbij een dergelijke dood ook mocht zijn, voor het eerst werd hij hiermee voorgesteld als het tegendeel van het leven. De traditionele vertrouwdheid verdween, de dood werd iets waarvan men bezeten kon raken. Die bezetenheid werd versterkt door de openbare anatomische lessen die vanaf 1550 in Nederland waren toegestaan, en waarbij menigeen tot de conclusie kwam dat de mens een niets met de schijn van iets is - een 'bulla', een zeepbel, zoals een geliefde uitdrukking luidde. De elite liet voortaan voor zichzelf weer simpele graven maken; en de dood als personage veranderde van een rottend kadaver in een schoon en blinkend skelet, een Pierlala met klepperende knekels. Zelfs openbare gebouwen kregen knekels van zandsteen als versiering.

De calvinistische geest beteugelde ook de begrafenisrituelen. De Synode van Dordrecht in 1619 schafte de bij joden en katholieken gebruikelijke dodewake af, de lijkredes en zelfs het symbolische schepje zand dat nabestaanden in het graf wierpen. Ook uitvaartdiensten met kaarslicht en het luiden van kerkklokken raakten uit de gratie. In het algemeen mocht een dode niet 'naar de hemel' worden gebeden, want Christus bepaalde zelf wie daarin werd opgenomen. Hierom verdween bij protestanten ook de absoute, de laatste aanbeveling ten afscheid, waarbij de kist bewierookt en met wijwater besprenkeld wordt, opdat engelen de ziel van de dode naar het paradijs kunnen begeleiden.

 

Palermo

De katholieke tegenhanger van de gestadige dood: hangende uitgedroogde mummies in de catacomben van de Kapucijnen in Palermo (tot 1882 aangevuld).  Ansichtkaart, www.postcard.memory.files.word

 

Om voorbidding te vermijden werd menig sterfgeval zelfs pas de zondag ná een uitvaart in de kerk bekend gemaakt. Radicale dominees ontraadden nabestaanden ook rouwkleding te dragen, want de mens was een slaaf der zonde en de besten onder ons waren hooguit een 'treffelijk instrument Gods'. Hoewel calvinisten een enorme invloed op de Nederlandse begrafeniscultuur hebben gehad, konden zij toch niet op tegen de wind die onder de 'middenburgers' zou opsteken.

Overigens kende de protestantse gestadige dood een katholieke tegenhanger; Ariès spreekt daarom wel van de alomtegenwoordige dood. Ook in katholieke landen werden tussen de zestiende en achttiende eeuw lijken met minder eerbied behandeld, getuige bijvoorbeeld de genoemde catacomben van Parijs, waar de beenderen van maar liefst zes miljoen Parijzenaars theatraal maar zonder aanziens des persoons zijn geëxposeerd. Vooral Kapucijner monniken, van wie werd gezegd dat zij 's nachts reeds in hun toekomstige doodskist sliepen, blonken uit in wereldverzaking en knekelkunst. Hun toppunt bereikten ze in hun catacomben in Palermo, met duizenden uitgedroogde mummies die staand en aangekleed tegen de muren zijn bevestigd. Als ergens de mens wordt voorgesteld als een 'niets met de schijn van iets' dan is het daar.



De dood van de ander


Voor de 'middenburgers', die het kameraadschappelijk huwelijk en de zorg voor kinderen als hoogste ideaal gingen koesteren, veranderde de dood in een onthutsend perspectief. In de woorden van Ariès: het ging daarbij niet om hun eigen dood maar om de dood van de ander. Zij werden gedreven door angst degenen van wie zij emotioneel zo afhankelijk waren, te verliezen. Dit had zijn weerslag op het gedrag rond het sterfbed. Weliswaar bleef de stervende de centrale figuur, maar familie en vrienden hielden zich niet langer in totdat hij was overleden. Ruim van tevoren weenden zij hartstochtelijk, waardoor als het ware het zwaartepunt van het gebeuren bij hen kwam te liggen, niet bij de stervende. De rouw nadien was excessief en overschreed verre de tot dusver gebruikelijke rouwperioden.

 

scheffer1


Het sterfbed van de schilder Théodore Géricault in 1824 door Ary Scheffer. Tekenend is dat er - door vrienden! - al wordt getreurd terwijl Géricault nog niet is overleden. (Dordrechts Museum)


Vooral in de achttiende en negentiende eeuw waren er mensen die eindeloos bleven klagen over het verlies van een geliefde. De Engelse Queen Victoria ging hierin ver: zij liet decennialang elke dag een ontbijt naar het vertrek van haar overleden man Albert brengen en dan tevens zijn kleren klaarleggen. Andere treurenden beperkten zich tot het intact houden van de slaapkamer van de dode, wat vandaag dikwijls gebeurt als het kinderen betreft, maar toen kennelijk begonnen is. Wie het zich kon permitteren schafte een apart rouwservies aan, dat zowel het Engelse Wedgwood als Regout in Maastricht tussen tussen 1850 en 1900 in hun assortiment voerden.

Tijdens vele smartelijke avonden vlochten vrouwen het haar van gestorvenen tot ingewikkelde haarwerkjes, waarvoor damesbladen modellen verschaften. Ook gipsafgietsels van handen en gezicht waren gewild, evenals doodsportretten. De inspiratie hiertoe leverde ongetwijfeld de opkomst van de taxidermie, het opzetten van dode dieren, in de achttiende eeuw. Maar waar taxidermie absolute schoonheid nastreefde, vroegen nabestaanden uit die tijd juist om natuurgetrouwe portretten van hun dierbare overledenen. Van de mondaine componist Frans Liszt († 1886) is een dodenmasker bewaard gebleven met centimeters dikke pukkels; van de knappe anarchist Ferdinand Domela Nieuwenhuis († 1919) een foto op zijn sterfbed met een volledig uitgeteerd gezicht. Hedendaagse in memoria tonen juist gestorvenen zoals zij enkele jaren voor hun dood waren, toen de fatale ziekte nog niet had toegeslagen. Er moet een diep verlangen naar intimiteit hebben gezeten achter die afzichtelijke weergave van verloren geliefden. 

 

haarwerkje.jpg

19de eeuws morbide haarwerkje met haar van 'EVW', zaliger. www.museumrotterdam.nl  

 

Rond 1800 bloeide in Nederland ook de zogenaamde mortuaire literatuur op, met Hiëronymus van Alphen als favoriet:

Dit streelt mijn treurend hart in deze rampwoestijn,
Dat na een korte vlucht van snellende ogenblikken,
Mijn stof in 't zelfde graf naast u geplaatst zal zijn,
En zich mijn geest met u voor eeuwig zal verkwikken.
Mij dunkt, ik hoor alreeds het wellekom!
Als mijn verloste ziel van verre uw woning nadert:
U zal ik de eerste zien en kennen uit den drom
Van al 't gezaligd volk, met u te zaam vergaderd.


Het spreekt vanzelf dat nabestaanden met dergelijke gevoelens ook het contact met de overledenen wilden behouden. Bij katholieken, voor wie iemands ziel normaal gesproken eerst enige tijd in het vagevuur verblijft, gebeurde dat door 'voorbidding', die tot doel had de ziel zo snel mogelijk in de hemel te krijgen. Dat was ook geboden, want het vagevuur was niet een vaag vuur maar een 'veegvuur', een ontzaglijke beproeving. Nog in 1862 beschreef De feestvierende Katholijke Kerk in Nederland het vagevuur als vele malen erger dan 'het kokend pek, de gloeiende roosters, de snijdende raderen, de nijpende tangen en de rekkende pijnbank' waaraan kerkelijke martelaren waren blootgesteld.

 

denb8

Allerzielen op een volkskundige kalender van omstreeks 1935. De gelegenheid tot 'voorbidding' bij katholieken. (archief Thijs Mol)

 

Allerzielen, op 2 november, is onder katholieken de speciale gelegenheid voor grafbezoek. De dag is in het jaar 998 door de Abdij van Cluny in Frankrijk ingesteld, maar kreeg nooit zoveel aandacht als in de achttiende en negentiende eeuw. Met behulp van voorbidding konden nabestaanden iemands verblijf in het vagevuur bekorten. Franciscus van Assisi had hiervoor een speciale techniek bedacht: door op 2 november een drietal korte gebeden in een minderbroederskerk uit te spreken verwierf men een volle aflaat voor een anonieme brandende ziel, die daarop naar de hemel mocht verhuizen. Om nòg een zieltje te redden moest men even buiten de kerk stappen en dan binnen hetzelfde gebed herhalen, enzovoorts. Tot in de jaren zestig van de vorige eeuw is deze techniek in Zuid-Nederland beoefend onder de naam pesjonkelen - naar de kapel Portiuncula in Assisi waar Franciscus haar het eerst toepaste.

Eveneens met het oog op voorbidding ontwikkelden Nederlandse katholieken het unieke bidprentje. Door de Reformatie moesten zij in zekere zin ondergronds met elkaar verkeren. De elite onder hen maakte sindsdien sterfgevallen bekend via een handgeschreven doodsbrief die onderling werd doorgegeven. Na 1600 noteerde men die kennisgeving op de achterkant van devotieprentjes, bijvoorbeeld van het Mirakel van Amsterdam, samen met bijbelteksten die lezers konden prevelen - vandaar 'bidprentje'. Volledig gedrukte exemplaren verschenen in Amsterdam omstreeks 1730, tegelijk met de eerste rouwkaarten of condoleancekaarten die sindsdien voor iedereen gebruikelijk werden. Wellicht is de opkomst van zulke kaarten de aanleiding geweest dat katholieken hun bidprentjes tijdens de begrafenismis gingen uitdelen. Halverwege de negentiende eeuw, dankzij goedkopere druktechnieken, was het prentje onder alle Nederlandse katholieken gangbaar. België zou deze traditie overnemen.

 

oosterkerk1.jpg

Bijzetting in de kerkvloer van de Oosterkerk in Amsterdam, omstreeks 1790, louter in aanwezigheid van mannen, zoals onder de stadse burgerij tot begin 20ste eeuw gebruikelijk bleef. Begrafenissen in kerken vonden toen elders in Europa niet meer plaats. Ingekleurde ets van H. P. Schouten. (Stadsarchief Amsterdam)

 

Protestanten kennen zoals gezegd geen vagevuur en voorbidding, omdat iemands ziel alleen door God wordt bestemd. Om toch iets van een contact te onderhouden gingen sommige van hen het moderne spiritisme beoefenen, zoals dat sinds 1848 werd gepropageerd door Amerikaanse quakers. Er waren kringen in Den Haag en Wassenaar waar avond aan avond seances plaatsvonden en klopgeesten meldingen deden omtrent het verblijf van geliefden in het hiernamaals.

De grootste nieuwigheid onder de moderne burgerij deed zich voor bij het begraven. De meeste doden werden tot dan op een kerkhof bijgezet, alleen rijke families konden zich een plek in de kerk veroorloven. Al bijna duizend jaar ging dat zo, zonder dat iemand protesteerde tegen de bedwelmende stank die in de kerken gehangen moet hebben, omdat de grafstenen niet goed afsloten (de term 'rijke stinkerd' komt hier vandaan). Los hiervan moesten de graven wegens plaatsgebrek snel worden geruimd, met als gevolg dat soms nog niet geheel ontvleesde botten in een open knekelhuis buiten de kerk belandden.

 

lequeu

Ongebouwd gebleven ontwerpen kunnen veelzeggend zijn. Ontwerp van Jean Jacques Lequeu voor een pantheon van Nederlandse helden te Voorhout,  1785. www.pinterest.nl

 

Uit piëteit en omwille van de hygiëne was in Schotland het begraven in de kerk reeds in 1566 verboden; in Frankrijk omstreeks dezelfde tijd, al maakte men uitzonderingen voor geestelijken en nationale helden. Andere Europese landen volgden dit voorbeeld rond 1800, zo ook Nederland dat toen onder Frans bewind stond. De Fransen waren echter nog niet weg of de oude tradtie werd weer in ere hersteld. In Utrecht bijvoorbeeld verdwenen in die tijd nog acht van de tien doden onder de kerkvloer. Niettemin verbood koning Willem I deze praktijk per Koninklijk Besluit vanaf 1829, waarbij hij een uitzondering maakte voor zijn eigen familie die haar grafkelder in de Nieuwe Kerk van Delft tot vandaag in gebruik heeft. Pas in 1865 zou in Nederland de allerlaatste particuliere dode onder een kerkvloer verdwijnen. Of de allerlaatste? In 1917 werd in het Gelderse Rijswijk nog een lid van de adellijke familie Van Brakell bijgezet in haar tombe in de Martinuskerk, zij het via een gat in de buitenmuur, om het verbod van Willem I niet te overtreden.

Vanuit de protestantse kerken was deze traagheid wel te begrijpen. In tegenstelling tot katholieke kerken kwamen er bij hen geen legaten binnen om aflaten te verwerven; zij ontbeerden zelfs de kasstroom uit de verkoop van kaarsen en andere devotionalia. In feite waren zij financieel  afhankelijk van dit soort begrafenissen, die naar verluidt per keer wel een modaal jaarsalaris opleverden. Omgekeerd werkte voor de gelovigen mogelijk het calvinisme vergoelijkend. Wanneer de mens wordt voorgesteld als een niets met de schijn van iets, zullen kerkgangers zich minder gauw storen aan de lijklucht van dat niets. En de half ontvleesde botten in het knekelhuis buiten, behoorden toe aan lotgenoten die reeds van de 'cativigheid' van de wereld waren verlost!

 

ternavolging.jpg

Ter Navolging in Den Haag uit 1778, de eerste moderne buitenbegraafplaats van Nederland, qua beeld overduidelijk nog een kerkvloer. Tiel heeft een Ter Navolging uit 1786. www.ternavolging.nl 


De nieuwe omgeving voor de doden moesten 'buitenbegraafplaatsen' worden. De beweging voor zulke begraafplaatsen ontstond hier decennia later dan elders en boekte pas in 1778 een eerste resultaat: Ter Navolging in Scheveningen; de dames Wolff en Deken liggen er begraven. Ter Navolging werd ondanks zijn programmatische naam geen succes, omdat de graven geen opstand kregen en het geheel nog oogde als een kerkvloer, zij het zonder kerk.

Het verlangen was juist de romantische kant op, zoals al sprak uit Rustoord in Diemen uit 1791, dat zich afficheerde als 'familiebegraafplaats', een wervende gedachte. En rijke particulieren bouwden in de vrije natuur praalzuchtige grafmonumenten, met als meest extreme voorbeeld de uitkijktoren van de familie Van Nellesteyn uit 1818 in Leersum, een ontwerp van J.D. Zocher. Het eerder genoemde Koninklijk Besluit miste ten slotte zijn uitwerking niet, want het bepaalde tevens dat gemeenten met meer dan duizend inwoners niet langer hun doden binnen de bebouwde kom mochten begraven. Terwijl de gemeenten dit besluit uitvoerden, haakten protestanten en katholieken in, want zij wilden aparte begraafplaatsen bezitten, wat in de meeste gevallen resulteerde in lokale combinaties van neutraal en godsdienstig.

 

fabius1856.jpg


Westerbegraafplaats in Amsterdam, romantiek in rechte lijnen. Jan Fabius, 1867. www.amsterdammuseum.nl 

 

Aanvankelijk ging het om landschapsparken met slingerpaden en een zwierige begroeiing. Wie het kon betalen richtte daar een tempeltje ter ere van zijn familie op. Verdienstelijke lieden en beroemdheden kregen van bewonderaars een persoonlijk monument, zo belangrijk werd dat gevonden. Op zondagen zag het er zwart van de mensen; hier en daar kon zelfs toegang worden geheven.

Mettertijd zouden de begraafplaatsen en zerken echter steeds zakelijker en rechtlijniger worden, als dat niet al het uitgangspunt bij de inrichting was geweest. Als summum hiervan mag gelden de unieke begraafplaats op het calvinistische eiland Marken. Om iedereen gelijk te laten zijn voor God en grafbezoek sowieso als onwenselijk werd beschouwd, bepaalde de gemeente dat de doden anoniem moesten verdwijnen onder zwarte gietijzeren paaltjes, met slechts een nummer erop ter wille van de administratie. Pas anno 2012 is dit beleid gewijzigd en mogen nabestaanden een gedenkteken met de naam en de data plaatsen.

 

marken.jpg   

Ultra-calvinistische dodenakker: een grintveld met genummerde graven op het eiland Marken. De opname is uit 1980. Nadien kwamen bloemen steeds vaker voor en inmiddels zijn kleine grafstenen toegestaan. (Pieter Söhngen)  


Elders waren de verschillen tussen protestantse en katholieke begraafplaatsen subtieler. Protestanten bleken een voorkeur aan de dag te leggen voor attributen die de eindigheid van het leven symboliseerden: opengeslagen bijbels, gedoofde fakkels, gebarsten kruiken, leeggelopen zandlopers, urnen, lauwerkransen en afgeknotte zuilen, zoals die aangetroffen waren tijdens negentiende-eeuwse opgravingen in het antieke Rome. Katholieken daarentegen benadrukten de band tussen de levenden en de doden, getuige de alomtegenwoordige Christus aan het kruis, de bemiddelende engelen en heiligen, en de immer aanwezige bidkapel, overeenkomstig het voorschrift dat gelovigen nabij een kerk dienen te worden begraven.

 

roermond.jpg

Begraven in verzuilde tijden. Unieke rustplaats van het protestants-katholieke echtpaar J.W.C. van Gorcum en J. van Aefferden uit 1888 bij kapel in 't Zand in Roermond. (Pieter Söhngen)


Deze verschillen zijn goed te signaleren op begraafplaatsen die een algemeen, een protestants en een katholiek gedeelte kennen. Een enkele keer deden zich indelingsproblemen voor, want wat te doen bij een gemengd huwelijk? Oecumenisch begraven was niet mogelijk; de verzuiling tarten kon wel. In Roermond bevindt zich een wat dat betreft uniek grafmonument. In 1880 werd de protestantse kolonel J.W.C. van Gorkum bijgezet in een ongewijd stukje van het kerkhof bij Kapel in 't Zand. Zijn steen rees uit boven de scheidingsmuur met het gewijde gedeelte. Toen acht jaar later zijn katholieke eega, jonkvrouw Josephine van Aefferden, overleed kreeg zij een identieke steen aan de andere kant van de muur en daarover heen werd het echtpaar met elkaar verbonden middels een handdruk. Overigens leidde dit stille protest tegen verzuild begraven lange tijd een besmuikt en onopgemerkt bestaan. Eind jaren zestig besteedde Jan Bouman er voor het eerst aandacht aan in zijn Volkskrant-rubriek Het Merckwaedigste meyn bekent. En inmiddels is het 'wereldberoemd' in de thanatologie.



De gewone mensendood

 

De romantische doodscultuur was gewild in gegoede kringen. Voor de meerderheid van de bevolking was de dood in de negentiende eeuw allesbehalve romantisch, een kwestie van geld. Onbemiddelde stadsbewoners konden zich geen uitbundige begrafenissen veroorloven, als ze al niet 'van de armen' werden begraven. Cijfers over dit laatste zijn niet bekend, maar het gebeurde niet weinig. De stad betaalde dan de begrafenisrechten en stelde een wisselkist ter beschikking, waarover een kleed ging met de tekst 'van de armen', zoals in de Camera Obscura (1878) van Hildebrand te lezen en te zien valt. Justus van Maurik verhaalt over dezelfde tijd in Toen ik nog jong was dat Amsterdam voor zulke gelegenheden een witte kist gebruikte, en dat meelevende buren dan soms rondgingen om er voor vijf gulden een zwarte kist van te maken - wat er in elk geval op duidt dat het al om een permanente kist voor de dode ging.

 

vandearmen

Begrafenis van de armen, uit Hildebrand's Camera Obscura, 1878, gravure Smeeton Tilly.

 

De geringe doodsromantiek in volksbuurten spreekt tevens uit de gang van zaken bij een kinderbegrafenis, niet verwonderlijk gelet op de hoge kindersterfte. Volgens de genoemde Justus van Maurik gingen halverwege de negentiende eeuw alleen de vader of de opa mee, plus een wit gekleed buurjongetje. Een zwart bemantelde buurman fungeerde als lijkbezorger en droeg het kistje over straat onder een draagkleed. Meer mensen waren er niet voor ter been. In het geval van een doodgeboren kind was zelfs niemand bij de begrafenis aanwezig. Een doodgraver bekommerde zich om dit karweitje, bij voorkeur 's nachts.

 

kindbegrafenis

 

Kinderbegrafenis, illustratie Karel Verbrugge in Toen ik nog jong was (1901) van de schrijver Justus van Maurik.  In zijn mond draagt de lijkbezorger een versierde begrafenistak, die hem door het jongetje is aangereikt. Dergelijke takken werden na afloop wel als aandenken door de familie bewaard. www.beeldbank.amsterdam.nl

 

Ook op het platteland was de dood in de negentiende eeuw nog weinig romantisch. Uit volkskundige literatuur blijkt dat onder boeren en buitenlui de dood toen als lot, als vooruitzicht, weinig schrikwekkend was, maar als verschijnsel juist onrust baarde. Onder hen hadden sterven en begraven nog weinig van hun openbare karakter verloren, maar het waren toch ook niet zulke vertrouwde en geaccepteerde gebeurtenissen meer als bij wat Ariès de getemde dood heeft genoemd.

Opvallend was dat de plattelandsbevolking zich al geruime tijd op de dood voorbereidde. Zo dienden zwarte doodskleden wel als huwelijksgeschenk, uiteraard netjes opgevouwen en met een strik eromheen. Onder gereformeerden in de Alblasserwaard, meldde een informant, kregen tot na de Tweede Wereldoorlog trouwende meisjes zelfs twee kleden mee: een groot exemplaar voor zichzelf en een klein exemplaar voor een eventuele dode boreling. Elders ging het gewaad van de eerste huwelijksnacht de linnenkast in om t.z.t. als lijkwade dienst te doen. In Huizen (NH) bewaarden mensen, aldus Steven Hagers, hiervoor tot in de jaren negentig van de vorige eeuw een nieuw nachthemd in de verpakking (stadse burgers werden toen al sinds mensenheugenis in hun zondagse pak begraven). Ook was het tamelijk normaal dat boeren de planken voor een doodskist op zolder hadden klaarliggen. Een verschijnsel als de lijkdeur, onder meer bekend van Noord-Hollandse en Friese boerderijen, duidt eveneens op voorbereiding. Die deur werd zowel bij een huwelijksintocht als bij een uitvaart gebruikt om de overgang naar een volgende levensfase aan te geven.

Iemands laatste dagen gingen de hele gemeenschap aan; buren hielpen zo nodig bij de verpleging. Voor de Zaanstreek wordt gemeld dat 'weeburen' zelfs tijdens het sterfbed aanwezig waren. Elders stonden 'noodburen' klaar.

 

 

denb4

Lijkborden of dodenborden zoals tot na de Tweede Wereldoorlog gebruikelijk waren bij doodskistenmakers in Limburg. De tekst erop luidde dikwijls Hodie mihi, Eras tibi ('Heden ik, morgen gij'). Oorspronkelijk gleed via zulke borden een lijk het graf in, later de kist in. Tot aan de begrafenis bleef een lijkbord als kennisgeving voor een sterfhuis staan. (OLM Arnhem) 

 

Was het ogenblik daar dan gedroeg men zich lijdelijk. Versterven, dus geen voedsel meer tot zich nemen, was een veel gekozen einde. Voor Nederland bestaat hier geen literatuur over, wel voor Frankrijk en daar wilden oude en zieke plattelandsmensen niet lang nutteloos zijn en ten laste van de familie komen. Met andere woorden, men hechtte minder aan het leven dan nu, - een dokter hoefde aan het eind niet meer op te draven. In Nederland zal dit niet veel anders zijn geweest.

Bij een sterfbed van katholieken verscheen idealiter een priester voor de Laatste Sacramenten, waarbij de stervende nog eenmaal biechtte, een H. Hostie kreeg uitgereikt en een zalving onderging met H. Oliesel (vandaar: sacramenten). Deze 'ziekenzalving' of 'bediening' gold als teken van Gods vergiffenis, zodat de dood vreedzaam kon worden tegemoet gezien. Wat ook hielp was dat vanuit Rome de hel als afschrikwekkende bestemming steeds minder nadruk kreeg - al duurde het tot circa 1960 dat paus Johannes XXIII de uitspraak deed: 'De hel bestaat wel, maar er zit niemand in'.

Protestanten kenden deze troost en geruststelling niet. Alleen zij die het licht hadden gezien, die met andere woorden vol van geloof waren, konden naar de hemel; de rest brandde onherroepelijk voor eeuwig in de hel. Aanhangers van Calvijn hadden het extra zwaar. Volgens diens predestinatieleer bepaalde God van te voren, dus onafhankelijk van iemands levenswandel, wie in het hiernamaals in Zijn nabijheid zou verkeren. Als indicatie voor het aantal zielen dat zich daarop mocht verheugen, gold een citaat uit het Mattheus-evangelie: 'Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren'. Vanwege deze bedreigingen gedroegen de meeste protestanten zich dwangmatig nuchter rond een sterfbed. Een dominee of ziekentrooster las uit de bijbel voor. En zodra het slachtoffer de laatste adem had uitgeblazen, stelden de aanwezigen sober vast: 'De Heer heeft zijn wil gedaan'. Buren die binnenkwamen konden teksten uitspreken als: 'Goên avond, dat is hier een schielijke verandering, jongens.'

 

denb5

Titelblad van Den naerstigen byenhouder, door G. van Eekhout. Ook bijen kregen soms te horen dat de boer dood was. (UB Amsterdam)


Nu volgde een aantal handelingen van animistische oorsprong. Weliswaar bepaalt het christelijk geloof dat de ziel van een overledene direct ten hemel stijgt of ter helle vaart, het volksgeloof leerde dat die nog enige tijd in de nabijheid van het stoffelijk overschot vertoefde. Nog in de zeventiende eeuw beweerde de Franse schrijver Cyrano de Bergerac: Une heure après la mort notre âme évanouie (Een uur na de dood verdwijnt onze ziel). Lijdzaam was zij intussen niet. Zij wilde in het lichaam terugkeren of probeerde uit jaloezie zielen van nabestaanden mee te voeren.

Om een terugkeer te beletten werden de ogen en mond van de gestorvene gesloten. Aansluitend zette men wel ramen en deuren open, opdat de ziel naar buiten kon fladderen. Spiegels dekte men met een doek af of keerde men om, immers, in een spiegel wordt iemands ziel weergegeven en in die ijle toestand kan zij makkelijk door een pasgestorvene worden meegelokt. Klokken werden stilgezet om de tijd op een dwaalspoor te brengen. Ook werden gordijnen neergelaten of afgenomen, vensterluiken gesloten of juist uit hun scharnieren gelicht; de naaste buren deden dat bij hen thuis ook. De ironie wil dat de meeste van deze gebruiken zich in burgerlijke kringen hebben kunnen handhaven met een andere uitleg: hygiëne, esthetiek of uiting van rouw en tijdelijke wereldverwerping.

Bij de voorbereidingen op begrafenis werd van de directe verwanten verwacht dat zij zich op de achtergrond hielden. Men mocht, zo heette het, geen eigen familie ten grave dragen, anders zou zielewraak dreigen. Er heerste wat dat betreft smetvrees. In sommige oorden mochten familieleden niets aanraken dat met de dode in verband had gestaan; zij pakten nog geen kop koffie van tafel. Allereerst werd het sterfhuis van een merkteken voorzien. Daartoe waren uiteenlopende middelen in gebruik. In Brabant en Overijssel beschikte men over dodenlantaarns, zoals die al in zeventiende-eeuwse steden bekend waren. In Limburg plaatste men tot aan de laatste wereldoorlog 'liêkbreden' voor de deur en in Midden-Brabant een bosje stro op zwarte plankjes of een houten busseltje. Elders gebruikte men rouwwimpels (Zeeland), een houten kruis (West-Friesland) of een zwarte baar (rondom Amsterdam).

 

kruijsen.jpg

Boerenbegrafenis in een Brabants winterlandschap, eerste helft 20ste eeuw, door Antoon Kruysen. Uit de afbeelding mogen we afleiden dat dat de baar nog op de schouders werd gedragen en dat een stoet niet altijd een strak gelid vertoonde. Ook het paarsgewijs lopen was geen mos, hoewel dat een eeuwenoud automatisme is terwille van de harmonie. www.kruysenhuis.nl


Ondertussen werd het lijk door buren afgelegd en begon het 'verhennekleden': het doodskleed werd omgedaan en om de ledematen heen genaaid. Dan was er overleg over wie waar het overlijden ging aanzeggen. Een aandoenlijke gewoonte, herhaaldelijk gedocumenteerd, was dat soms ook huisdieren, het vee en de bijen op de hoogte werden gebracht ('de baas is dood'). De 'groeveneugers' gingen ieder met een lijst op pad, klopten waar nodig met een stok op de zelden gebruikte voordeur, wachtten totdat iedereen naar buiten was getreden, deden hun zegje en werden daarna naar binnen genodigd voor een drankje.

Een in het oog springend verschil tussen katholieken en protestanten betrof de dodenwake, wat wederom met 'voorbidding' te maken had. Hoewel sinds de Synode van Dordrecht in 1619 de overheid zich eveneens keerde tegen dit verschijnsel, raakte het in katholieke streken nooit helemaal in onbruik. De gang van zaken was weinig plechtig en strookte bepaald niet met de opvatting van de romantische dood. Familie, vrienden en buren schaarden zich 's avonds om de open kist om gezamenlijk de nacht door te brengen. Er werd gebeden, gegeten en gedronken en volgens getuigenissen zeilden op het laatst dienbladen met borrelglazen over de gestorvene heen; wilde dansen kwamen ook voor.

 

twente

Prentbriefkaart 1903. Vrouwen in Twente zaten traditioneel op de lijkwagen met de lijkkist tussen hen in. Wel waren zij helemaal bedekt door een huik of falie. www.geheugenvannederland.nl

 

Op de dag van de begrafenis wierp iedereen een laatste blik op de dode ('liekbekieken' heette dat in het oosten). Vervolgens werd de kist half opgericht en gekeerd naar het vee, dat in de zomer daartoe speciaal op stal werd gezet. De kist ging dicht en werd met de voetzijde naar buiten gedragen en op een wagen van een buurman getild. Daarop namen dan ook alle vrouwelijke verwanten plaats; de weduwe ging zelfs niet zelden op de kist zitten. De aanwezigheid van vrouwen bij een plattelandsuitvaart was voor de burgerij een schokkende gewoonte; onder haar is tot begin twintigste eeuw de norm geweest dat begraven een mannenzaak diende te zijn. Wel waren die vrouwen nagenoeg volledig bedekt door een huik of falie, een zwarte kapmantel die het boze oog moest weerstaan. In perifere gebieden heeft die dracht zich gehandhaafd tot na de Tweede Wereldoorlog.

De rouwstoet trok bij katholieken eerst naar de kerk, bij protestanten ging hij direct naar het kerkhof. Zo'n stoet was een gestileerd drama; niet voor niets zijn ze zo vaak afgebeeld. Gewestelijk liepen er zogenaamde huilebalken in mee, die de 'voorrouw' hadden. Zij waren uitgedost met lange lamfers aan hun hoeden en witte zakdoeken, waarin zij luidkeels weeklaagden. De stoet volgde een vaste route, de lijkweg, en onder klokgelui betrad men het kerkhof. Daar werd eerste driemaal om de graven heen gelopen, opdat een magische cirkel tussen de doden en de levenden ontstond. In Friesland kent men deze rondgang nog.

Op het kerkhof gingen katholieken eerst naar de aanwezige kapel voor de absoute, de laatste zegening van de overledene, wat tegenwoordig wel bij het graf gebeurt. Vervolgens werd de kist ter aarde gelaten. En op symbolische wijze begroeven de aanwezigen de dode door een voor een een schep aarde op de kist te werpen, al lieten veel protestanten deze handeling achterwege.

In de tijd waar we hier over spreken, de negentiende eeuw, zou het graf een eenvoudig merkteken krijgen: een stuk hout, wat bloemen, meer niet. Tot 1800 werden de meeste doden echter anoniem bijgezet, zodat grafbezoek niet eens mogelijk was. Duurzame zerken voor gewone mensen zijn pas in de twintigste eeuw gebruikelijk geworden.

 

huizenhuik.jpg

Huizer vrouw met huik, circa 1945, door Jan Duyvetter. Een huik of falie was een mouwloze kapmantel, die van de Arabische haik stamde en als rouwdracht in de 14de eeuw via Spanje de Europese adel veroverde. In de zeventiende eeuw was bij een sterfgeval deze dracht onder vrouwen algemeen. In het Noord-Hollandse Huizen werd de huik tot na de Tweede Wereldoorlog gedragen, al heette zij op het laatst prozaïsch 'regenmantel'. www.geheugenvannederland.nl 

 

Na de begrafenis keerde men terug naar het sterfhuis voor een rouwmaal. Speciaal baksel bestond daarvoor, zoals de groevekrakeling, die de goddelijke drieëenheid symboliseerde en, veelzeggend, geen begin en einde had (zie verder: www.bakkermuseum.nl). Het rouwmaal vormde het laatste onderdeel van de ceremonie voor omstanders. Het gewone leven moest weer zijn loop krijgen en daartoe was enige aanzwengeling vereist. Vandaar dat er veel gegeten, gedronken en gelachen werd, onder katholieken uiteraard meer dan onder protestanten. Uitvaart was zuipvaart, luidde het gezegde, en daarna zat het er voor de buren op. 

Zo niet voor verwanten; zij moesten zich aan een lange rouwperiode onderwerpen. De duur daarvan hing af van de graad van verwantschap en het gebruik ter plaatse. Het meest algemeen was een jaar en zes weken voor man en vrouw en ouders en kinderen; een half jaar voor broers en zussen; drie maanden voor ooms en tantes, en zes weken voor neven en nichten. Na de zware rouw volgden nog halfrouw en lichte rouw, die een half jaar tot een jaar konden duren. Maar er waren ook streken waar veel langer werd gerouwd: op Walcheren minimaal twee jaar en op Marken maar liefst tien jaar. Hierdoor waren er mensen, vooral ouderen, die zelden of nooit uit hun rouwkleren kwamen. Toch had rouw een functie. Rouw bestempelde mensen tot kwetsbare lieden, beschermde hen tegen ongewenste toenadering en bood gelegenheid om openlijk te treuren. Maar zodra de rouwtijd voorbij was, moest ook het verdriet achter de rug zijn; de samenleving zag daar als het ware op toe.


De verboden dood

 

Hoewel burenhulp bij begrafenissen in het oosten van het land nog steeds voorkomt, is die elders verdwenen. Ook heeft er een enorme gelijkschakeling in begrafenisrituelen plaatsgevonden. De uitbundige begrafeniscultuur van de negentiende-eeuwse burgerij dreef vanzelf over en gewone stadsbewoners en boeren konden aanhaken bij wat die burgerij aan gewoonten overhield.

 

wp11919.jpg

Doodsportret van de Helmondse filantroop Willem Prinzen (1847 - 1919). Dergelijke portretten, die gewoon tussen de andere familiefoto's stonden, verdwenen toen de 'verboden dood' opkwam maar zijn (met dank aan de smartphone) weer enigszins terug bij de 'grote dood'. (J. Steegh, Leiden)  

 

Zeker heeft de professionalisering van het uitvaartwezen daarbij geholpen. Die professionalisering dateert in stedelijke milieus al uit de zeventiende eeuw, omdat de gilden die van oudsher voor begrafenissen van hun leden zorgden, langzamerhand uiteenvielen. Daarop ontwikkelden aansprekers, die bij gelegenheid door de elite werden ingehuurd om een sterfgeval bekend te maken, zich geleidelijk tot moderne begrafenisondernemers, ook al torsten zij lang de naam kraaien vanwege de uiterlijke gelijkenis. In de negentiende eeuw kwamen daar de onderlinge begrafenisfondsen voor minvermogenden bij, die voorkwamen dat iemand 'van de armen' moest worden begraven, wat rond 1900 inderdaad tot het verleden ging behoren, zeker de opzichtige variant. Deze fondsen, waarvan er honderden waren, zouden uiteindelijk worden verdrongen door grote levensverzekeringsmaatschappijen en door het coöperatiewezen dat in natura uitkeerde, anders gezegd, de hele begrafenis regelde. Het Eindhovense Dela (Draagt Elkanders LAsten) uit 1937 zou er als eerste voor zorgdragen dat mensen ook met een smalle beurs op een grafsteen konden rekenen. 

 

kindergrafjes

Een vergeten geschiedenis. Eeuwenlang werden kinderen van katholieke huize die ongedoopt stierven zonder plichtplegingen en anoniem in ongewijde aarde begraven. Zonder dat sacrament waren zij namelijk niet verlost van de erfzonde, en in bezit van een 'zwart zieltje' gingen zij naar het voorgeborchte. In de twintigste eeuw lieten liefhebbende ouders toch herkenbare graven aanleggen. En als er geen aparte ongewijde plek was dan maar onder een heg, zoals op deze begraafplaats in Culemborg. Pas in de jaren zestig ging de katholieke Kerk anders over de erfzonde en de doop denken. Het voorgeborchte is door Rome in 2007 officieel vervallen verklaard. 


Voor de beleving van de dood hielden deze materiële verbeteringen geen verlichting in; integendeel. De dood werd als een steeds grotere breuk met het leven ervaren, als de totale ontkenning ervan. Volgens Ariès begon die ontkenning in de tweede helft van de negentiende eeuw, toen naasten de neiging kregen een stervende te ontzien en de ernst van zijn ziekte voor hem verborgen hielden. Doodgaan werd steeds afzichtelijker gevonden. Men wilde er het dramatisch karakter aan ontnemen, omwille van de stervende maar ook omwille van zichzelf. Totaal nieuw was deze neiging niet. Volgens het Chronologisch Woordenboek waren voor sterven (letterlijk: 'stijf worden') al sinds de dertiende eeuw eufemismen als 'verscheiden' (ver-scheiden) en 'overlijden' ('na het lijden') in zwang, waarmee het doodgaan zelf als het ware werd overgeslagen. In de zeventiende eeuw kwamen daar termen bij die van dit gebeuren een soort wilsbesluit maakten: 'heengaan' en 'ontslapen', welk laatste woord 'in (eeuwige) slaap vallen' betekent. In de negentiende eeuw verdween de dood helemaal uit zicht via omslachtige omschrijvingen als: hij heeft het tijdige met het eeuwige verwisseld, hij is teruggekeerd naar zijn Schepper, of 'hij heeft afscheid van dit ondermaanse genomen'. Vlamingen koesteren overigens een woord waarmee iemand kan leven zonder een lichaam te bezitten: 'aflijvig'. Dit is vergelijkbaar met het Nederlandse 'ter ziele', maar daarbij verkeert de persoon in kwestie onmiskenbaar aan gene zijde, alsof hij de stap daartoe althans heeft gezet.

Filmacteur John Wayne was naar verluidt in 1964 verantwoordelijk voor het eufemisme The Big C, waaraan hij leed. De Grote K werd in Nederland gangbaar, of nog subtieler: een zacht uitgesproken 'K'.

Deze hele versluierende ontwikkeling werd versterkt doordat doktoren de regie rond het sterfbed in handen kregen. Als ethiek huldigden doktoren al van oudsher de gewijde leugen, de pia fraus. Zelfs terminale patiënten kregen niets over hun toestand te horen, wat Maarten 't Hart, blijkens De aansprekers, nog in 1973 meemaakte met zijn zieke vader. Zonder hoop was er immers geen leven. De medicalisering leidde er bovendien toe dat steeds meer mensen in het ziekenhuis stierven; inmiddels ongeveer vijftig procent. Doodgaan in een ziekenhuis was geen ceremonieel gebeuren, waarbij het slachtoffer nog een laatste woord tot de aanwezigen richtte, maar een technisch moment: de pogingen het leven te verlengen werden stopgezet, waartoe de patiënt dikwijls naar een aparte ruimte verhuisde. Van de grootse daad van het sterven bleef zodoende weinig over, wat de nabestaanden goed van pas kwam: zij konden er steeds slechter tegen. Zo lieten zij voortaan ook het afleggen en het kisten van de lijken over aan het mortuariumpersoneel.

De dood verdween verder uit de openbaarheid doordat oude gemeenschappen uiteenvielen en de verstedelijking toenam. De ontkerkelijking had weer een kaalslag onder rituelen tot gevolg, waaraan de kerken trouwens zelf meededen, want bijvoorbeeld de katholieke Kerk heeft het overvloedige zwart tijdens de rouwmis vervangen door enkele paarse accenten.

 

rouwband


Terwijl op het platteland tot na de Tweede Wereldoorlog bij een sterfgeval nog een allesverhullende rouw gebruikelijk was, bepleitte de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen aan het einde van de 18de eeuw sobere rouw. Dit voorstel van Hendrik Serrurier uit 1794 behelsde rouwbanden, waaruit de graad van bloedverwantschap viel af te lezen. Het Nut verstrekte getuigschriften aan hen die zo'n band droegen. (Atlas van Stolk)


Ook de opkomst van crematie, op initiatief van humanisten, bracht versobering. Deze wijze van lijkbezorging was na het verbod van Karel de Grote in 785 eeuwenlang taboe, maar raakte wellicht weer in de belangstelling dankzij Europese kolonialen die het hindoeïsme leerden kennen. Misschien heeft de op Sint-Helena verbannen keizer Napoleon haar weer actueel gemaakt: in een testament een paar dagen voor zijn dood in 1821 uitte hij de wens dat zijn as in Parijs zou worden uitgestrooid. Nederland kreeg in 1869 een nieuwe Begrafeniswet, volgens welke crematie illegaal bleef doch niet langer strafbaar was. Een Vereening tot invoering der lijkverbranding zag zes jaar later het levenslicht en die maakte daarmee op 1 april 1914 een begin, in het net geopende crematorium van Driehuis-Westerveld. Wettelijke toestemming volgde echter pas in 1955. Voor joden en moslims, die net als christenen in de wederopstanding geloven, bleef deze route geblokkeerd, maar althans protestanten en katholieken wijzigden begin jaren zestig hun opvatting. Voor katholieken was daartoe in 1963 een pauselijk decreet nodig. En inmiddels wordt al meer dan de helft van de overledenen in Nederland gecremeerd. Een deel van dit succes was ongetwijfeld dat crematoria een uitvaart zonder tierelantijnen boden; zelfs het symbolische neerdalen van de kist wordt tegenwoordig veelal achterwege gelaten (met als bezwaar dat het dan de nabestaanden zijn die hun geliefde verlaten, in plaats van andersom, zoals de sociaalpsychologe Beatrijs Ritsema ooit opmerkte).

Ten slotte deed ook de individualisering zich gelden. Mensen begonnen de rouwdracht als dwangmatig te ervaren en lieten haar na de Tweede Wereldoorlog als op afspraak massaal achterwege. In omringende landen gebeurde dit al eerder: de Eerste Wereldoorlog leverde daar zoveel doden op dat individuele rouwdracht geen zin meer had. Toen eenmaal de klad in dit gebruik kwam, begonnen buitenstaanders resten ervan algauw als pijnlijk te ervaren, als indiscreet zelfs. Iemand hoorde zijn leed dapper te dragen, dat wil zeggen: andere mensen er niet mee lastig te vallen. Eigenlijk zou alleen de sportwereld van deze reductie gespaard blijven. Bij voetbal is de rouwband, die tot in de jaren dertig nog door de haute chic werd gedragen, normaal gebleven, zelfs voor  sterfgevallen in de privésfeer. Conservatisme van voetbalbestuurders zal hierin doorslaggevend zijn geweest, maar sport is natuurlijk ook een verheviging van het echte leven en daardoor bevattelijk voor visuele dramatiek. Nergens houdt men zo makkelijk een minuut stilte en hangt de vlag zo dikwijls halfstok als in stadions.     

 

rouwband1969

Alleen in sport is uiterlijke rouw nog een vertrouwd verschijnsel. Hier PSV-er Pleun Strik met rouwband in 1969 vanwege het overlijden van oud-president-directeur Frans Otten van Philips. De band hoort om de linkerarm, omdat hij dan het dichtst bij het hart zit. Historisch Archief ANP, www.geheugenvannederland.nl



In de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw was de kilte rondom de dood het sterkst. Ariès sprak zelfs van de verboden of omgekeerde dood. Het thuis opbaren, dat kort daarvoor nog vanzelf sprak, verdween, zo ook de dodenwake onder katholieken. De bekendmaking van een sterfgeval geschiedde niet meer persoonlijk, maar middels een drukwerkje of een annonce in de krant, waarin zinsneden konden staan als: 'Enige en algemene kennisgeving', 'Bloemen noch bezoek worden op prijs gesteld', of zelfs: 'De begrafenis heeft in stilte plaatsgehad'. Dit laatste kon men letterlijk nemen, want steeds vaker bleven daarbij toespraken achterwege. In België en Zuid-Limburg ontstond wellicht in deze tijd de opmerkelijke gewoonte van nabestaanden om direct na de absoute te vertrekken en de teraardebestelling over te laten aan anonieme grafdelvers die een eigen planning volgen. Het toppunt van individualisme is geweest dat in overlijdensannonces en op graven soms alleen voornamen werden vermeld.

Grafbezoek bood onder dit regime niet langer troost en strookte ook niet met de genotzucht van het ik-tijdperk. Ariès zegt het niet, maar een feit was natuurlijk ook dat veel mensen inmiddels zo'n beschermd leven leidden dat de dood een bedreiging vormde die in geen verhouding stond tot andere bedreigingen die zij ervoeren - de dood was bij wijze van spreken het leven niet meer waard.


De grote dood 


Maar het tij zou keren. Me dunkt kwam dit gedeeltelijk juist voort uit de strijd tegen de dood. Medici gingen steeds intensiever berichten over ongezonde levenswijzen, wat althans het risico op doodgaan onder de aandacht bracht. En had filmster John Wayne in 1964 nog verhullend gesproken van The Big C, president Richard Nixon verklaarde in 1971 openlijk The War on Cancer. Tegen andere ziekten woedden soortgelijke oorlogen, met als resultaat dat artsen veel meer behandelingsmogelijkheden kregen. Denker des Vaderlands René Gude kon decennia later de balans opmaken: 'We leven niet alleen langer, we sterven ook langer'.

waroncancer

De openlijke strijd tegen de dood doorbrak tevens het taboe erop. Nixon tekent The National Cacer Act in 1971. www.slideshare.net

 

Anderen pakten intussen de doodsbeleving aan. In 1955 stelde de Engelse socioloog Geoffrey Gorer in The pornography of death dat de dood het vroegere taboe op seksualiteit had overgenomen. De Zwitsers-Amerikaanse psychiater Elisabeth Kübler-Ross pleitte vanaf het eind van de jaren zestig voor stervensbegeleiding en professionele hulp bij rouwverwerking. In het verlengde hiervan riepen tientallen auteurs op tot nieuwe rituelen rondom het levenseinde.   

In Nederland vond die roep snel weerklank, want nergens was het aantal kerkelijke begrafenissen zo sterk gedaald als hier. Als reactie op alle kilte werden uitvaarten vanzelf al iets emotioneler: het thuis opbaren nam weer toe, en gevoelige toespraken door familieleden en vrienden kregen een vaste plek in elke rouwdienst; zelfs bij protestanten. De katholieke Kerk nam het gebruik aan om een kruisje met de naam van de overledene erop na de dienst bij kruisjes van eerder overledenen te hangen, al wekt dat in sommige parochies de indruk alsof men aan het aftellen is.

 

 bermrouw.jpg

Een 'nieuw' verschijnsel sinds het midden van de jaren negentig: bermrouw, meestal in de vorm van een gebedsschrijn. Onder deze eeuwige vlam staat een asbakje, refererend aan een favoriete gewoonte van het slachtoffer. Provinciale Weg Geldermalsen - Culemborg, 2013.

 

De onaanvaardbaarheid van de dood leidde ook tot nieuwe vormen van gedenken. De aids-epidemie, die zich begin jaren tachtig in het Westen openbaarde, trof vooral jonge homoseksuelen die van zichzelf al een exuberante levensstijl bezaten. Omdat een effectieve medische behandeling lang onmogelijk leek, kreeg iedere patiënt een doodvonnis uitgereikt, wat tot een schreeuw om leven leidde. In San Francisco werd hierom in 1983 een eerste Aids Memorial Day gehouden, die wereldwijd gekopieerd zou worden; in Amsterdam sinds 1986. Aanvankelijk alleen met waxinelichtjes versierd, kwamen daar later linten met namen van slachtoffers bij; vervolgens naamvlaggen die tot kolossale quilts uitgroeiden. Ook het fenomeen buddy, belangrijk bij stervensbegeleiding, stamt uit de strijd tegen aids.

Sinds de moord op de Zweedse premier Olaf Palme in 1986 kent de hele wereld het gebruik onheilsplekken met bloemen en brandende kaarsen te markeren, een huldeblijk die tegenwoordig bijna standaard is wanneer ergens slachtoffers vallen maar een katholieke oorsprong heeft. Drie jaar eerder had heel Nederland kennis gemaakt met een Stille Tocht naar aanleiding van de racistische moord op Kerwin Duinmeijer in Amsterdam; sindsdien zijn vele tochten van dien aard gevolgd. Ook hieruit spreekt een katholieke invloed. Het voorbeeld ertoe verstrekte namelijk de Stille Omgang, een stilzwijgende nachtelijke procesie die katholieken sinds 1881 in de hoofdstad houden ter herdenking van het Mirakel van Amsterdam. De Stille Omgang was bedoeld om het processieverbod, dat tot 1983 heeft gegolden, te omzeilen maar bleef nadien bestaan omdat een geruisloze menigte ook luid kan klinken.  

 

denb20 

Groeiende weerzin tegen zinloos geweld. Bloemenhulde door een bruidspaar in september 1997, op de plek in Leeuwarden waar enige maanden eerder Meindert Tjoelker omkwam. (ANP)

 

Van ietsje later, midden jaren negentig, dateert de hausse aan bermmonumenten voor verkeersdoden, aan te treffen langs tal van provinciale wegen. Ook deze waren in katholieke landen en streken al eeuwen bekend, zij het in de vorm van simpele wegkruisen. Volgens onderzoekster Mirjam Klaassens bezit in Nederland zeventig procent van de huidige monumenten echter de vorm van een schrijn, omrankt door een vracht bloemen en souvenirs. Het zou inmiddels om duizend exemplaren gaan. De mode lijkt mij vooral aangezwengeld te zijn door allerlei veiligheidsacties, zoals het plaatsen op onheilsplekken van een zwart menselijk silhouet, met daarop de leeftijd en overlijdensdatum van een slachtoffer. Hierdoor raakte de berm als het ware gepersonifieerd; de democratische notie van 'de' belastingbetaler die heel Nederland bezit, deed de rest. De meeste gemeenten hanteren intussen de regel dat de gedenktekens drie jaar gedoogd blijven, mede vanwege de waarschuwing die ervan uitgaat, want doorgaans zijn er bij fatale ongelukken alcohol en jongeren in het spel.

Een ander nieuw verschijnsel op het gebied van gezamenlijk gedenken zijn de condoleanceregisters die bedrijven, scholen en sportclubs bij een sterfgeval klaarleggen. Zulke registers waren tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw louter in zwang voor staatshoofden en hoogwaardigheidsbekleders en daarom slechts te vinden in ambassades en overheidsgebouwen.

De definitieve doorbreking van de taboesfeer rond de eigenlijke begrafenis lijkt uit Amerika te zijn gekomen. Amerika was enerzijds het land van een ver doorgevoerde commercialisering van het uitvaartwezen, met als summum de mondiale keten Service Corporation International (McDeath), die ook in Nederland een vestiging heeft. Anderzijds bestond in dat land een lange exuberante traditie. Mensen die zich in hun Corvette of Mustang lieten begraven, die zich lieten balsemen, invriezen of de ruimte inschieten. Ook hun huisdieren kregen regelmatig een praalgraf, een gewoonte die bescheiden begonnen is in Engeland, waar de adel favoriete honden placht te begraven onder een steen in het gazon bij de voordeur. 

 

denb1


De eerste alternatieve begrafenis in Nederland: op 3 juli 1986 werd hippiekoning VictorIV, Walter C. Gluck, in konvooi naar begraafplaats Zorgvliet gevaren. (ANP)


Uitgerekend een Amerikaan zou in Nederland de nieuwe trend introduceren. In 1986 werd hippiekoning Victor IV op een met stro bedekt vlot vanaf zijn woonboot aan de Amstel naar begraafplaats Zorgvlied gevaren, begeleid door een flottielje van sloepen en gadeslagen door een mensenmassa op de kade. Vervolgens bekommerden kunstenaarsgroepen als Carpay & Carpaan en Memento zich om de schamele grafcultuur die in Nederland usance was geworden. Na zich eerst alleen met grafstenen ingelaten te hebben, gingen zij ook lijkkisten beschilderen, herinneringsvaantjes ontwerpen en tenslotte kwam de hele uitvaart in hun blikveld.

De branche reageerde direct. Een Netwerk Uitvaartvernieuwers, waarvan het merendeel vrouw is, telde algauw tweehonderd leden en ijverde voor een persoonlijke invulling van begrafenissen. Hierop kwamen ook de traditionele begrafenisondernemers in beweging, mede doordat zij steeds vaker werden geconfronteerd met bijzondere verlangens van nieuwe minderheden. Zelfs crematoria gingen openstaan voor particuliere wensen: men kan er tegenwoordig, aldus de website van de bedrijfsgroep, muziek laten draaien van Jan Boezeroen en Johnny Jordaan en zich desgewenst in een kano laten verbranden…

 

denb26

Opening in oktober 1996 van nieuw verstrooiveld bij crematorium Westgaarde. De grasmat en de dug-out zijn afkomstig uit het gesloopte Ajax-stadion De Meer. (ANP)

 

De persoonlijke invulling van een begrafenis werd een daverend succes, en drong tot in alle facetten ervan door. Een geruisloze maar wezenlijke verandering betrof de aankleding van de overledene: steeds vaker wordt daarvoor de favoriete vrijetijdsdracht gebruikt. Eeuwenlang heerste juist het idee dat iemand op zijn paasbest moest worden gekist, met het oog op zijn confrontatie met god tijdens de Dag des Oordeels. In de pruikentijd kon dit betekenen dat er vlak voor de begrafenis nog een nieuwe pruik werd besteld en in een recenter verleden dat schoenen nog een nieuwe zool kregen. Nu moeten doden er zo natuurgetrouw mogelijk bijliggen, - eventueel met een petje achterstevoren op het hoofd, terwijl hoeden toch altijd wel afgingen. 

De unieke katholieke traditie van bidprentjes, uit te delen tijdens de dodenmis, bood nabestaanden de gelegenheid tot gevoelvolle karakteriseringen op papier, terwijl zulke prentjes oorspronkelijk niet meer dan een gebed bevatten. Ook een portret als levende op de voorzijde is sinds de jaren zeventig bijna standaard, waar totdien een afbeelding van een heilige of van een kruis voldeed.

Voor rouwadvertenties kwamen extra symbolen in roulatie, ook al werden die niet direct door iedereen begrepen. Rond de laatste eeuwisseling had Het Parool de primeur van een advertentie met de naam én pootafdruk van een hond tussen de nabestaanden. Pootafdrukken van poezen komen inmiddels ook voor, alhoewel aanzienlijk minder. Zelfs een kruisje achter een pootafdruk van een kennelijk dood dier is al gesignaleerd. En een naam van een dochter of kleindochter kan vergezeld gaan van een hartje, ten teken dat zij in blijde verwachting is. Een sterretje kan een geboortedatum markeren, al wordt daarvoor vaker de ielere asteriks gebezigd. Zeldzaam is een sterretje achter een naam, wat duidt op een doodgeboren of een ongedoopt gestorven kind. Zulke baby's verdwenen vroeger in ongewijde aarde maar prijken tegenwoordig als sterretjes aan de hemel, een katholieke gedachte. 

 

hartje.jpghond.jpgkruis.jpgster.jpg

Passeerbare symbolen in hedendaagse overlijdensadvertenties: een hartje staat voor zwangerschap, een pootafdruk voor een geliefd huisdier, een kruisje voor een overleden persoon en een sterretje voor een geboortedatum of een overleden baby. www.gva.be

 

Internet schiep uiteraard nieuwe uitdrukkingsmogelijkheden. De website www.condoleance.nl, na de oudejaarsbrand van 2001 in Volendam bedacht door het Amsterdamse bedrijf BV Uitvaart.com, gaf aanleiding tot grootschalig digitaal medeleven. Miljoenen landgenoten hebben die site inmiddels bezocht en honderdduizenden hebben er een boodschap op achtergelaten.

Alsof internet een volgende ronde van informalisering inluidde, gingen nabestaanden ook boodschappen aanbrengen op de blankhouten kisten die in zwang zijn gekomen. En hoeveel mobieltjes zijn er al niet meebegraven om te blijven SMS-en? In dezelfde informele trant dragen recente grafstenen soms tientallen persoonlijke souvenirs en knuffels, niet noodzakelijk van weersbestendig materiaal, wat zeker na enkele regenbuien een sprekend contrast oplevert met de klassieke gestrengheid van vroegere graven.

Een laatste contrast: na de uitvaart volgt tegenwoordig bijna steevast een feest, onder het motto: de overledene had niet anders gewild.

De nieuwe Nederlandse begrafeniscultuur kreeg ook een aanvulling vanuit minderheden die zich profileerden. Op de Nieuwe Ooster in Amsterdam zijn tegenwoordig de grootste graven van Roma. Daarop zijn elementen te zien die voornamelijk in katholieke landen gebruikelijk waren, zoals een portret van een nog levende partner die t.z.t. zal worden bijgezet en de trots van de familie: een Mercedes-Benz. Syrisch-orthodoxe christenen bezitten in Losser een klooster, St. Ephrem, waar ze hun doden op eigen terrein begraven, een mogelijkheid die particulieren ook steeds vaker kiezen.

 

roma

Deel van een Roma-tombe op de Nieuwe Ooster in Amsterdam. De echtgenote is nog niet overleden maar al wel bestemd. Onderop een Mercedes-Benz met het paar naast de openstaande deuren.

 

Buitenlandse waarnemers stelden naar aanleiding van deze nieuwe begrafeniscultuur de vraag: waar is de Nederlandse nuchterheid gebleven? Maar Nederland zou slechts kortstondig vooruitlopen. Vooral bij begrafenissen van bekende personen heersen nu andere normen. Het is niet zo dat daar meer publiek op af komt. Overleden Oranjes lokten altijd dichte drommen. En legendarisch zijn de begrafenisstoeten van de natuurkundige Hendrik Lorentz in 1928 (tijdens welke zelfs het landelijk telefoonnet drie minuten werd stilgelegd) en van fabrikant Anton Philips in 1951 met tachtigduizend belangstellenden. Bij bisschop Bekkers in 1966 stond langs de hele route tussen 's-Hertogenbosch en St. Oedenrode publiek. Maar waar vroeger de sfeer plechtig, ingetogen en ernstig was, lopen de emoties vandaag flink op.

De uitvaart van de bruut vermoorde politicus Pim Fortuin in 2002 was misschien wel de meest aangrijpende in de na-oorlogse geschiedenis. Zelfs langs de snelweg tussen Rotterdam en Haarlem, waar de lijkstoet overheen reed, stelden toeschouwers zich op. Nieuw hierbij was dat de toeschouwers tijdens het passeren in hun handen klapten en bloemen op de lijkwagen wierpen, uitingen die voor het eerst zijn gesignaleerd bij de uitvaart van de verongelukte Britse prinses Diana in 1997. Twee jaar na Fortuin gaf de eveneens vermoorde Theo van Gogh op de Dam in Amsterdam aanleiding tot een minuut van denderend lawaai in plaats van stilte, een wereldprimeur. In hetzelfde jaar zong een afgeladen Arena het stoffelijk overschot van de te vroeg gestorven volkszanger Andre Hazes op de middenstip toe. 

 

bidprentjepa.jpg

Een hedendaags bidprentje, ook wel doodsprentje of gedachtenisprentje geheten.


Dit waren nog shockerende sterfgevallen, maar wat te denken van de in 2011 op 73-jarige door een hersenbloeding gevelde voetballer Coen Moulijn, die vier decennia eerder met Feijenoord successen had geboekt? Volgens de schattingen waren in Rotterdam vijftienduizend fans op de been, van wie het gros hem nooit in actie had gezien. Naast het al bekende repertoire van applaus en liederen werd dit keer ook met vlaggen gezwaaid en zelfs fakkelvuurwerk afgestoken. Ten overstaan van de rijkelijk aanwezige televisiecamera's bleken getuigen dermate aangedaan dat zij nauwelijks een woord konden uitbrengen. Het is zonneklaar dat als die mensen thuis waren gebleven, zij niet door emoties zouden zijn overmand; waarschijnlijk hadden zij niet eens aan Coentje gedacht. In plaats van rouwverwerking was er dus sprake van rouwopwekking. Gedeelde smart werd geen halve smart maar vermenigvuldigde smart.  

Moet dit fenomeen gekwalificeerd worden als morbide amusement of als een regelrechte doodscultus, waarbij mensen meer verdriet willen suggereren dan zij ervaren? Een troeblerende factor bij de keuze daartussen vormen de media die van menig sterfgeval een ondragelijke catastrofe maken (zoals bij de Britse popster David Bowie, januari 2016, naar aanleiding waarvan enkele serieuze journalisten verklaarden dat hun leven voor altijd veranderd was...). De media voorzien op deze manier echter ook in een behoefte, want soms speelt er meer dan het acute gemis...

 

MH17

Voorpagina Novaya Gazeta, 25 juli 2014

 

Op 17 juli 2014 haalden pro-Russische separatisten boven het oosten van Oekraïne vlucht MH17 van Malaysia Airlines neer, met aan boord 298 mensen, onder wie 196 Nederlanders. De schok over deze massamoord was enorm en verergerde nog doordat de separatisten aanvankelijk weigerden bergingswerkers tot het gebied toe te laten. Pas na zes dagen kwam het eerste lijkentransport op luchtmachtbasis Eindhoven aan. Op die dag heerste Nationale Rouw, een zeldzaamheid in Nederland, want de vorige keer dat dat gebeurde was bij de dood van president Kennedy in 1963. Het leger had in samenwerking met uitvaartondernemer Monuta een militaire ceremonie bedacht, met voor elk slachtoffer een individuele kist en begrafenisauto, dus de omgekeerde behandeling die de separatisten hadden gegeven. Drie dagen achtereen trok een stoet begrafenisauto's van Eindhoven naar een kazerne in Hilversum, waar de identificatie zou plaatsvinden. Even zo vaak stonden er honderdduizenden mensen langs de route, tot op viaducten toe. Er is over die kolossale belangstelling veel te doen geweest. Vanuit het buitenland klonk opluchting over het herstel van de individuele waardigheid van de slachtoffers. Schrijver Arnon Grunberg daarentegen sprak in Vrij Nederland sarcastisch van emotioneel exhibitionisme en collectieve hysterie, bedoeld om een tanend natiegevoel op te krikken, zoals bij een WK gebeurt. Welbeschouwd was echter het enige nieuwe aan de plechtigheid dat er ditmaal naast bloemen ook knuffels naar de passerende stoet werden geworpen. Het grote publiek leefde vooral mee uit verontwaardiging over de dubbele harteloosheid die was begaan: zonder pardon onschuldige burgers uit de lucht schieten en vervolgens hun lijken onverzorgd op een rampplek laten liggen. Tijdens de ceremonie wekte rouwbetoon extra rouwbetoon op, maar zo gaat dat nu eenmaal. Overigens zou de algehele verontwaardiging nog veel groter zijn geweest als iedereen toen al had beseft dat de moordenaars in kwestie nimmer voor een rechter zouden verschijnen.

 

denb25

Begrafenis bij het Syrisch-orthodox christelijke klooster St. Ephrem in Losser, 1998 (ANP)

 

De uitingen rond MH17 vielen tevens binnen een andere ontwikkeling: groepsrouw na de uitvaart. Hoewel expliciete rouwtekens zich blijven beperken tot de sportwereld, zoeken individuen contact met lotgenoten in gespreksgroepen en richten soms een collectief monument op, wat vroeger alleen bij rampen en oorlogen gebeurde en dan ook nog van overheidswege. Prins Bernhard opende in 1999 in Flevoland het Wilhelminabos, waar kankerpatiënten met een eigen boom worden herdacht. Koningin Beatrix onthulde in 2011 in de Drentse buurtschap De Stapel bij De Wijk een Muur Tegen het Geweld, waarin persoonlijke herinneringen aan geweldslachtoffers zitten vermetseld.

Tussendoor, te beginnen in het jaar 2000 in het Twentse Reutum, verrezen op tientallen begraafplaatsen kleine monumenten voor zogenaamde Ongeboren kinderen - doodgeboren zei men vroeger, maar die term shockeerde inmiddels (stilgeboorte, van het Engelse stillbirth, is sinds 2016 gangbaar als alternatief). Bij de start van deze ontwikkeling sprak kardinaal Simonis van een rehabilitatie voor de vroegere begraving van ongedoopte kinderen in ongewijde aarde en het leeuwendeel van dit soort monumenten bevindt zich niet voor niets in het katholieke Brabant, maar inmiddels richten andersgelovigen ze ook op. Onbegraven foetussen kunnen op deze manier immers eveneens een herdenkingsplek krijgen, waarvoor in Vlaanderen sinds 2010 het fenomeen Sterretjesweide bestaat.

 

joost.jpg

Het Parool, 26 juli 2013. In de laatste decennia van de vorige eeuw is het gebruik opgekomen dat vrienden eveneens rouwadvertenties plaatsen. Geregeld gebruiken zij daarbij louter voornamen. In wezen is dat hedendaags folklorisme, want publiciteit voor intimi kan net zo goed achterwege blijven: een contradictio in terminis. Maar in deze annonce kondigen de vrienden als het ware per akte aan voor de nabestaanden te zullen zorgen.

 

Eveneens met het oog op de rouw ijvert de kunstenares Ida van der Lee met www.allerzielenalom.nl  ervoor om dit katholieke feest een seculier leven in te blazen. Dankbaarheid om wat was prevaleert daarbij boven het gemis. Met brandende vuurkorven en het zingen van de namen van overledenen moeten begraafplaatsen op de avond van 2 november een ontmoetingsplek voor de levenden worden. In dezelfde geest werd op Allerzielen 2010 het Amsterdamse Vondelpark omgetoverd tot een 'ritueel landschap'. In de donkerte dreven in een vijver bootjes met kaarslicht rond en stegen ballonnen met behulp van hetzelfde licht op. Van de kunst van het sterven tot de kunst van het herdenken...

Ook in de huiselijke sfeer kreeg die kunst meer ruimte. De Nijmeegse godsdienstpsychologe Joanna Wojtkowiak meldde dat inmiddels bijna één op drie landgenoten, in totaal vijf miljoen mensen, een huisaltaar voor een dierbare overledene bezit: een enscenering van ingelijste foto's, kaarsen, bloemen en souvenirs. Deze gewoonte zal, dunkte me, voortgesproten zijn uit de bermmonumenten. Net als bij de laatste doet zich ook hierbij een katholieke oorsprong vermoeden, zij het dat onder katholieken slechts een portret met een waxinelichtje gebruikelijk was, met de nadruk op wàs; zeker geen compleet altaar. Het kan daarom goed zijn dat beide uitingen eerder getuigen van hindoeïstische en boeddhistische invloeden, in Nederland belichaamd door Surinamers van hindoestaanse komaf en door liefhebbers van Oosterse mystiek.

 

De kleine dood 

 

Het is bij dit alles vreemd te bedenken dat er nog mensen bestaan, doopsgezinden bijvoorbeeld, die geen enkele rouw tonen. Bij hen kan het voorkomen dat twee familieleden als getuige mee naar het kerkhof gaan en de rest thuis zwijgend bijeen zit. Ook traditionele gereformeerden kennen nog een begrafenis die 'niet-mensgericht' hoort te zijn, een opmerkelijke term in dit verband.

Christenen hebben de dood altijd gerelativeerd, omdat er immers nog een leven na komt. Gods wil versnellen was uitgesloten, maar de stervensbegeleiding en rouwverwerking die Elisabeth Kübler-Ross propageerde vonden onder hen een dankbaar onthaal. Naar haar ideeën kwamen er speciale hospices voor ongeneeslijk zieken, al gaf reeds de Franse Jeanne Garnier in 1849 met l'Association des Dames du Cavalarie in Lyon een aanzet daartoe. In 1988 opende de arts Pieter Sluis in Nieuwkoop het eerste hospice van Nederland, veelzeggend Bijna Thuis Huis geheten. Ook pater Rob van Hellenberg Hubar S.J. maakte zich verdienstelijk op dit vlak, met zijn stichting Elkerlijck uit 1987. Het originele oogmerk was: géén onnodige levensverlenging. Later, vanaf 2002 zelfs met behulp van een heus protocol, zou palliatieve sedatie ingang vinden, waarbij patiënten maximaal twee weken voor hun levenseinde een verdoving toegediend krijgen, onder gelijktijdige stopzetting van alle overige medicatie, zodat een 'natuurlijke' dood volgt. Palliatieve sedatie (palliatief verwijst naar 'mantel', waarmee de mantel van Sint Maarten wordt bedoeld; en sedatie betekent kalmering) kan ook in etappes geschieden, met eerst een slaapmiddel, waarbij de patiënt nog enigszins gevoed wordt, en dan, als de onbehandelde ziekte is voortgewoekerd, totale verdoving. 

 

trapdesouderdomsvrouwen.jpg 

Vanaf de zestiende tot begin twintigste eeuw een populair genre: de levenstrap of trap des ouderdoms, - en toen ineens voorbij, allicht omdat mensen een langer en vooral vrolijker leven gingen verwachten. De ernstige boodschap was immers dat iemands fysieke en psychische aftakeling definitief begon op vijftigjarige leeftijd. Gravure C.J. Visscher, 1620, www.rijksmuseum.nl.

 

Humanisten gingen beduidend verder. Bij hen is niet alleen de dood relatief, ook het leven, omdat het niet van God gegeven is. Al in 1973 brak de Nederlandse Vereniging voor Vrijwillige Euthanasie een lans voor euthanasie bij ondraaglijk en uitzichtloos lijden. Zes jaar later schreef de Delftse arts Piet Admiraal hiervoor een medicinale handleiding. De term euthanasie was overigens misleidend: in de negentiende eeuw gebruikte de filosoof Arthur Schopenhauer hem nog voor de stille, pijnloze dood die ouden van dagen soms treft, - zoals de Duitse schrijver Goethe toen hij, 83 jaar oud, 's avonds in een stoel naast zijn bed zat.

Na decennia van discussie zou minister Els Borst in 2002 een wet lanceren die euthanasie onder strikte voorwaarden niet langer strafbaar stelt. Nederland was hierin het eerste land ter wereld, België het tweede, maar nog steeds zijn er talloze landen waarin iedere vorm van euthanasie verboden is (al regelen daar artsen veel gevallen onderhands met behulp van morfine). Een saillant maar onbekend voorval speelde zich overigens kort daarop af bij een benzinestation langs een snelweg, waar pater Rob van Hellenberg Hubar minister Borst ontdekte. Nadat de pater zich bekend had gemaakt, verklaarde de minister het jammer te vinden dat ze niet eerder van palliatieve sedatie had gehoord, want dan was ze daarmee het eerst aan de slag gegaan. Inmiddels worden er jaarlijks tienduizend euthanasieverzoeken ingediend, waarvan er ongeveer vierduizend bewilliging krijgen. In 2012 ging bovendien in Den Haag de Levenseindekliniek van start voor ambulante hulp aan patiënten wier huisarts weigert hun doodswens te honoreren.   

 

 

herdenking

De Herdenking, Harm Kamerlingh Onnes 1963. De spreker richt zich tot de overledene. Vroeger hield dit automatisch in dat iemand in een ziel geloofde, tegenwoordig wordt het ook als stijlfiguur gebruikt. www.simonis-buunk.nl  

 

Het Burgerinitiatief Voltooid Leven (2010 - 2013) wilde nog een verdere stap zetten. Niet een ondragelijk en uitzichtloos lijden, maar een idem dito leven diende al voldoende rechtvaardiging te zijn voor stervenshulp, waarvoor een wetsaanpassing vereist was. Dit initiatief smoorde. Sinds 1995 echter biedt de Stichting De Einder, gelieerd aan het Humanistisch Verbond, steun aan mensen die op een fatsoenlijke manier zelfeuthanasie willen plegen, buiten de medische stand om, vanuit de gedachte dat een volwassen  persoon zelf over zijn leven mag beslissen.

Deze ontwikkelingen hebben de dood weer naderbij en gewoner gemaakt; de huidige bevolkingsopbouw draagt daar eveneens toe bij. Immers, nog nooit kende Nederland zoveel bejaarden. Zij zijn ook expansief, in de zin dat zij als groep groter willen lijken dan ze zijn. Ouderenorganisaties richten zich namelijk op alle vijftigplussers, eufemistisch senioren genoemd. Ook al mijden vijftigers zulke organisaties massaal, in de beeldvorming krijgen bejaarden hierdoor meer demografisch gewicht en ondergaan ze tegelijkertijd een gewenste verjongingskuur. Ook hun aanwezigheid is anders. Vroegere leeftijdgenoten lieten zich niet graag op onledigheid betrappen en verscholen zich 'achter de geraniums' zodra ze geen taken meer vervulden. Wat toen heel gewoon was: op een bepaald moment vrijwillig afzien van verdere zorg: 'Laat mij maar gaan'. Huidige bejaarden daarentegen vormen een veeleisende en opzichtige leisure class, die de bedenker van deze term, Thorstein Veblen, niet voor mogelijk zou hebben gehouden. En hun aantal zal nog aanwassen nu de babyboomers aan het pensioneren zijn.

 

poes

Klein leed eist eveneens aandacht: condoleancekaarten, zelfs rouwkaarten, voor huisdieren zijn sinds enige decennia alom te koop. www.hallmark.nl

 

Tegen wil en dank brengen bejaarden het prozaïsch element in het begrafeniswezen terug. Na niet zelden een kwart eeuw vakantie gevierd te hebben begint hun fysieke malheur, ter bestrijding waarvan alles uit de kast wordt gehaald en ettelijke handen nodig zijn. Levensverlenging is daarbij heilig, ook al weet iedereen dat dokters wel jaren aan het leven kunnen toevoegen maar geen leven aan jaren. Aldus volgt er een lange periode van toenemende afhankelijkheid en afnemende energie, tot aan de totale uitputting toe. Wanneer het stervensuur nadert, overheerst bij de nabestaanden in spe een gevoel van normaliteit, zelfs van opluchting dat de natuurlijke opeenvolging van generaties haar beslag gaat krijgen. Het is bovendien voor mensen die zelf al opa of oma zijn vervreemdend en lang niet altijd aangenaam om tevens nog een kind te moeten blijven.

Sociaal psychologe Beatrijs Ritsema benadert de bejaardenkwestie zelfs van die kant. Terwijl optimistische medici al voorspellen dat mensen in de nabije toekomst wel 130 jaar oud kunnen worden, noteerde zij in Vrij Nederland dat zij als zestiger uitgekeken raakte op haar eigen rol als dochter, met als algemene conclusie: 'Een zestiger hoort geen ouders meer te hebben'. Inderdaad, het gemis van een vader en moeder past bij een zekere leeftijd. Nooit heb je hen dichter bij je dan wanneer ze dood zijn. Zij zijn dan immers van jou, in plaats van dat jij van hen bent. 

 

trapdesouderdoms

Trap des ouderdoms voor mannen, centsprent tweede helft 19de eeuw. Net als vrouwen bereikten mannen hun hoogtepunt wanneer zij vijftig werden, dramatisch maar toch al geflatteerd, want de meeste mensen hadden dan diverse woekerende ziekten achter de rug en leden aan tandbederf, als ze nog tanden hadden. www.geheugenvannederland.nl

 

Deze problematiek dringt zich des te sterker op nu artsen bij menig sterfbed geen levensverlenging meer lijken na te streven maar een aftakelingsproces tot in de allerlaatste fase willen faciliteren. Buitenstaanders hebben geen idee van wat er hedentendage in de geriatrie gebeurt: Alzheimer-patiënten die twee keer per week een bloedtransfusie toegediend krijgen, negentigers die zware operaties ondergaan en vervolgens maandenlang moeten revalideren. De zorg is inmiddels intensiever en persistenter dan veel particulieren wensen: als zij er zelf voor moesten betalen dan zouden zij ervan afzien, ook al vormt geld het probleem niet. Op deze manier is een macaber voorportaal des doods ontstaan, waarin de familie voortdurend stand by blijft om afscheid te nemen en iedereen doet alsof sterven een keuze is, zonder een ogenblik aan iets anders te kunnen denken.

Directe nabestaanden gedragen zich vanwege dit alles vrij zakelijk bij de begrafenis van ouden van dagen. In nog hogere mate geldt dat voor de overige gasten, die ook een andere herkomst dan voorheen hebben. Niet alleen buurten en kerkgenootschappen zijn uiteengevallen, ook menige familie. Een typische begrafenisgast van nu is de ex, met wie in een eerdere fase flink is geruzied. Present zijn ook dikwijls kennissen uit de hobbysfeer, zoals een kaartclub. Wel, nergens is een sterfgeval zo snel vergeten als op een kaartclub, reeds bij het schudden van het volgende spelletje. Hierdoor bieden uitvaarten van bejaarden ten beste een reünie en ten slechtste een plichtpleging.

De vraag is: hoe valt deze afwezigheid van verdriet te rijmen met het uitbundige rouwbeklag rond jongeren en bekende figuren? Het lijkt soms alsof mensen bij hen tranen storten uit angst dat die bij hun eigen dood achterwege zullen blijven. 

 

Minderheden

Voor moslims staat officieel niet het carpe diem maar het memento mori centraal. Men komt op aarde zonder erfzonde, maar het leven is een 'zaaiveld' voor het hiernamaals, met de hemel of hel als eindbestemming. De voorstelling van de hel bij moslims komt overeen met die van christenen, die van de hemel daarentegen is wezenlijk anders: geen heilig oord voor de ontmoeting met God, maar tevens een lusthof, met gouden paleizen en allerhande concrete genietingen, zoals rivieren van wijn, want in de hemel mogen moslims eindelijk alcohol nuttigen, zonder er dronken van te worden. En op iedere martelaar van het geloof wachten zoals bekend 72 maagden (een mogelijke herinnering aan de 144 maal 1000 uitverkoren mannen en vrouwen die in de bijbel de zondvloed overleven). Het zal om deze voorstelling zijn dat de islam het patent heeft op zelfmoordterroristen. Zij sterven zelf graag en vinden het geen enkel bezwaar om daarbij zoveel mogelijk onschuldige burgers over de kling te jagen, want die zijn als mede-hemelganger slechts te benijden.

Vanwege de ontmoeting met God dienen moslims zich met betrekking tot de dood berustend te gedragen. Voor bloemen, muziek en zelfbeklag is in principe geen plaats. Allah heeft gegeven, Allah heeft genomen, en daar past niet bij dat men omstandig treurt. De koran verbiedt rouw die langer dan drie dagen duurt, en het wordt dan ook als ongepast beschouwd om nabestaanden nadien nog te condoleren. In de praktijk heeft echter een rouw van veertig dagen de overhand; voor de partner zelfs vier maanden en tien dagen. Ook wordt er wel degelijk geweeklaagd, zeker als het om jonge mensen en martelaren gaat.

Sterven en begraven zijn voor moslims een zuivere familieaangelegenheid; begrafenisondernemers kennen zij nagenoeg niet en in plaats van rouwkaarten worden overlijdensgevallen nog persoonlijk aangezegd. Als een moslim gaat sterven wordt hij op zijn rechterzij gelegd met het gezicht richting Mekka. Idealiter vraagt hij Allah om vergeving van zijn zonden en praat hij conflicten met zijn omgeving uit; schulden betaalt hij alsnog of draagt hij aan zijn nabestaanden over.

 

moslimgraven

Moslimgedeelte met eigen rouwcentrum op de Nieuwe Ooster in Amsterdam. Er liggen voornamelijk kinderen, bekeerlingen en politieke vluchtelingen.

 

Zodra de dood is ingetreden, wordt het lichaam gewassen, wat in Nederland meestal in een rouwcentrum gebeurt. Tegenwoordig bekommert een imam zich hier vaak om, maar traditioneel doen familieleden dat zelf. Men houdt daarbij het geslachtsverschil aan, al mogen echtgenoten elkaar wassen. De wassing bestaat uit een oneven aantal besprenkelingen met geparfumeerd water, waarbij de geslachtsdelen bedekt blijven. Alleen martelaren worden niet gewassen; zij worden - hoogste eer - in hun met bloed bevlekte kleren begraven. Anderen krijgen net als joden en christenen oorspronkelijk een lijkwade aan, de kafan: een wikkel van ongenaaide witte doeken (drie voor een man en vijf voor een vrouw), die veel moslims al ruim van tevoren hebben klaarliggen. Mekkagangers worden tevens getooid met hun pelgrimsgewaad. Nadat eventueel goud uit het gebit is verwijderd, want dat mag niet mee worden begraven, wordt de dode bij voorkeur naar een moskee vervoerd voor het dodengebed. Opbaren gebeurt niet, omdat een dood lichaam als onrein geldt.

Omdat de ziel van een overledene pas de genade van Allah ontvangt als zijn graf is toegedekt, vindt de begrafenis zo snel mogelijk plaats: wanneer iemand 's ochtends overlijdt nog dezelfde dag; anders de volgende middag. In Nederland verbiedt de wet dit, maar ontheffing is mogelijk. Om die genade te bespoedigen maakt de rouwstoet in islamitische landen flink vaart, een indruk die nog versterkt wordt doordat de dragers de baar aan alle kanten omringen en elkaar voortdurend afwisselen, want het dragen van een lijk geldt als een goede daad. Bij martelaren kan dit tot heftige taferelen leiden, waarbij de open lijkbaar over een massa heen schuift - een soort crowdsurfing, aldus de Nederlandse rapper Ali B. Als dragers komen alleen mannen in aanmerking, omdat vrouwen geacht worden hun verdriet niet te kunnen beheersen, wat pijnlijk zou zijn voor de Engel des Doods die slechts zijn plicht heeft gedaan. Marokkaanse, Molukse en Nederlandse moslimvrouwen verschijnen wel op de begraafplaats, waar ze in een rij achter de mannen blijven staan.

Moslims kennen twee soorten graven: de shaqq, een diepe kuil, en de lahd, een kuil met een nis erin aan de kant van Mekka. De favoriete begrafenishouding is net als de houding op het sterfbed, dus liggend op de rechterzij en met het gezicht naar Mekka, maar bijvoorbeeld Indonesische moslims worden wel zittend begraven. Een dergelijke houding is ook nog bekend bij koptische en Syrische christenen, alhoewel onder een ander mom. Bij deze orthodoxe chistenen speelt de bijbelse belofte dat trouwe discipelen van Christus op zijn troon zullen belanden, ten bewijze waarvan zij zitten. Voor moslims is de zithouding ideaal om de engelen des doods te woord te staan die vragen komen stellen zodra de nabestaanden verdwenen zijn.

Eén dode per graf is het maximum; familiegraven komen bij moslims niet voor. Bij een kuilgraf beschermt men de dode dikwijls met een stenen plaat of losse planken, opdat er geen aarde op hem rust die zou kunnen hinderen bij de wederopstanding. Met het oog hierop maakt men in het graf ook de knopen van de lijkwade bij de voeten en het hoofd los. Wordt er een kist gebruikt dan blijft zij open en heeft zij hoge randen vanwege de zijligging. Nadat het open graf driemaal met water is besproeid wordt het door alle aanwezige mannen gedicht.

 

moslimgraf

Moslimgedeelte van de begraafplaats in Culemborg in 2012: slechts twee kindergrafjes met als minimale aankleding een vaas met bloemen en enkele dakpannen.

 

Moslims uit Suriname worden hier begraven, weliswaar zonder gesloten kist maar uitwendig onderscheidt hun graf zich alleen door de aangebrachte tekst; ook kennen zij geen familiegraven. Turkse en Marokkaanse Nederlanders verkiezen in negenennegentig van de honderd gevallen het land van oorsprong voor hun doden. In plaats van de gewenste vierentwintig uur is daar minstens een week tijd mee gemoeid. Traditie speelt hierin een hoofdrol, alsook het feit dat landgenoten van hen zeer goedkope uitvaartverzekeringen aanbieden en de begraafplaatsen ter plekke veelal gratis zijn. Een afgeleid punt is dat moslims eeuwige grafrust eisen, met het oog op de Dag des Oordeels waarop de ziel van een dode herenigd zal worden met zijn lichaam. Christenen geloven in hetzelfde leerstuk, maar hebben die eis om praktische redenen al duizend jaar geleden laten vallen. Inmiddels beschikken veel Nederlandse begraafplaatsen over een aparte islamitische afdeling, waarvoor het grafrecht na twintig jaar tegen een gering bedrag kan worden verlengd, maar daarop liggen tot op heden voornamelijk Nederlandse bekeerlingen en kinderen die vlak na hun geboorte zijn gestorven. Wel is te verwachten dat dit zal veranderen, omdat veel Nederlandse moslims hun moederland zijn ontvlucht en niet meer kunnen terugkeren.   

De grafcultuur bij moslims verschilt onderling sterk. Soennitische graven zijn doorgaans minimaal: een opgehoogd stukje grond met een steentje of tafeltje, waarin de naam en de sterfdatum van de overledene zijn gebeiteld, plus eventueel een korancitaat. De graven van het Saoedisch vorstenhuis blijven zelfs helemaal zonder merkteken, alsof ze er niet zijn. Andere soennieten versieren hun graven met een gevulde waterkan, waaruit vogels kunnen drinken. Vaak wordt dan alleen het geslacht van de overledene aangegeven: twee stenen aan het voeteneind betekent een man, een extra steen in het midden een vrouw. Grafbezoek en -verzorging geschiedt zelden en is alleen geoorloofd aan mannen. Zij mogen dan bidden voor de overledene, maar hem niet vereren. 

Bij de Ottomanen, eveneens soennieten, daarentegen waren de graven van leiders voorzien van uitgebreide bloemmotieven en kwam grafbezoek en verering wel degelijk voor. Dit is tot op heden het geval bij sjiieten en aanverwante groeperingen. Sjiietische graven, zeker van martelaren, dragen ook dikwijls foto's van overledenen, en zowel mannelijke als vrouwelijke nabestaanden gaan er regelmatig met bloemen naar toe. De sjiieten in Irak bezitten zelfs de druktste begraafplaats ter wereld, de Wadi-al-Salaam, waar maar liefst vijf miljoen doden liggen. Het contrast met de soennitische soberheid spreekt nergens zo sterk als in India, waar enkele mausolea staan, zoals de beroemde Taj Mahal, die tot de grootste in hun soort behoren.

 

Evenals moslims prefereren ook Hindoes een snelle lijkbezorging, en wel om de wedergeboorte in een volgende levensvorm te bespoedigen. Aan het sterfbed verschijnt idealiter een pandit, een hindoe-priester, die heilige teksten opzegt om de stervende in een goede sfeer te brengen. Diens laatste gedachten bepalen namelijk het lot van zijn ziel. Direct na het overlijden wordt de gestorvene door familieleden van zijn eigen sekse gewassen met een desinfecterend middel en vaak gestoken in traditionele dracht, dhoti en pagri voor een man, sari voor een vrouw. Aldus wordt het lijk in een kist opgebaard, waaromheen luid huilende familieleden zich scharen. De schilderijen aan de muur zijn omgedraaid en van heinde en verre komen bekenden hun deelneming betuigen, soms wel vijf-, zeshonderd man.

Crematie geniet onder Hindoes de voorkeur, omdat daarmee de ziel onmiddellijk wordt vrijgemaakt. Tot 1969 mochten Surinaamse Hindoes echter in hun eigen land hun doden niet verbranden, reden waarom onder hen een traditie van begraven bewaard is gebleven. Op de dag van de uitvaart wordt een rouwstoet geformeerd; vier mannelijke familieleden dragen de kist op een met vlaggen versierde lijkbaar. Vroeger namen vrouwen niet deel aan de rouwstoet; tegenwoordig wel. Tijdens de route wordt vijfmaal halt gehouden, onder meer bij het huis van de overledene.

Bij een teraardebestelling zijn de voeten van de overledene naar het zuiden gericht. De pandit prevelt een laatste gebed, besprenkelt de kist met reukwater en de aanwezigen gooien een handje aarde in het graf. De lijkbaar met vlaggen wordt bij het dichte graf achtergelaten. In een crematorium strooien de aanwezigen bloemblaadjes in de half geopende kist. Een afvaardiging van de familie begeleidt de kist naar de ovenruimte en vaak mag de oudste zoon de oven in werking stellen. De as wordt in water uitgestrooid, dat in verbinding met de zee staat.

Na de plechtigheid keert de familie huiswaarts voor openlijk geweeklaag en een vuurofferdienst. Op de twaalfde dag volgt een nieuw vuuroffer, waarna het normale leven zijn gang weer kan krijgen, althans voor de vrouwelijke familieleden. Een weduwnaar dient op de tiende dag, of eerder, zijn hoofdhaar af te scheren, wat na zes maanden moet worden herhaald. Als een vader is overleden dan scheren zonen zowel hun hoofdhaar als hun snor en baard af. Jonge hindoemannen in Nederland laten dit gebruik in toenemende mate achterwege of scheren slechts een haarstrook weg.

Afro-Surinamers zijn opgegroeid in de christelijke traditie, maar de Afrikaanse wintigodsdienst biedt nog steeds inspiratie. Dat geldt bij uitstek voor de boslandcreolen, de marrons, bij wie wintimannen zelfs de rouwrituelen leiden; mede daarom laten zij zich veelal in Suriname begraven. Stadscreolen, die in toenemende mate hier blijven, erkennen soms echter ook een 'zwerfziel' van een dode, die tot rust moet worden gebracht, opdat deze de aarde kan verlaten of in een ander persoon kan reïncarneren. Trance, waarbij iemand met de stem van de overledene spreekt, is een middel om te achterhalen wat de ziel wil. En graven kan men beter niet bezoeken, omdat daardoor de ziel verstoord kan raken. Maar verder geldt het Surinaamse spreekwoord: 'Waar de dood is, moet ook worden gelachen'. In het hiernamaals is het leven beter, dus biedt de dood in zekere zin ook een bevrijding.

Hoewel de rouwrituelen onder Afro-Surinamers sterk verschillen, kennen de meesten nog zogenaamde aflegverenigingen. Dat zijn vrijwilligersorganisaties waarvan zowel katholieken als protestanten lid kunnen zijn. De vrouwelijke leden dragen witte kleren en een kunstig gevouwen hoofddoek; de mannelijke leden een zwart pak met een wit overhemd. Het wassen wordt door seksegenoten van de overledene gedaan, waarbij een ieder een apart lichaamsdeel voor zijn rekening neemt; andere details vallen onder een geheimhoudingsplicht, wat de verenigingsleden iedere keer met een eed bekrachtigen. Is de wassing en het opbaren voltooid, dan rijdt de groep de kist op een baar naar de huilende familie. Dat gebeurt zingend en dansend, met de onregelmatige krepsi-pas, die verondersteld wordt geesten op een dwaalspoor te brengen. Vaak vallen familieleden daarbij in, wat een algehele feeststemming tot gevolg kan hebben, die de 'zwerfziel' zal overtuigen dat zij kan weggaan.

 

denb3


Een Surinaamse aflegvereniging tijdens Uitvaart 2000 bij de Utrechtse jaarbeurs. (ANP)


Tijdens de dodenwake (Dede Oso oftewel: sterfhuis) staan schalen met traditionele lekkernijen gereed en wordt er luidruchtig gebeden en gezongen. In Suriname wordt de kist ook met de krepsi-pas naar het graf gereden. In Nederland beperken Surinamers zich veelal tot zang tijdens de rouwstoet, soms onder aanvoering van een bazuinkoor. Acht dagen na de begrafenis plaatst men thuis een offertafeltje met lekker eten voor de ziel van de overledene, waaromheen de rouwenden zich wederom verzamelen. Daarna kan de rouwkleding uit, maar de officiële periode van rouw duurt veertig dagen.

 

Antillianen zijn in meerderheid rooms-katholiek. In tegenstelling tot andere katholieken zullen zij nooit zeggen dat een begrafenis 'mooi' was, want wie dat zegt is de volgende dode. Het geloof in voorbodes is groot, net als bij Afro-Surinamers. Er wordt ook hardop tegen een dode gepraat, waarbij men meestal de vraag stelt waarom hij geen waarschuwing heeft gegeven. Het afleggen gebeurde vroeger door goede kennissen, maar is nu een zaak voor het rouwcentrum. Ook de opbaring vindt daar meestal plaats, of ook wel in het gebouw van een sportclub, die in het leven van de overledene belangrijk is geweest.

De afscheidsbijeenkomst, met muziek en rozenkrans, wordt zeer druk bezocht; voor een overleden oom of tante aan gene zijde van de oceaan nemen eilanders terstond een vliegtuig. De bezoekers wensen de dode in zijn open kist een gouden huis toe en laten hun emoties de vrije loop. Een potje met kopspelden staat klaar om een speld op de lijkkleren van de dode te prikken, opdat diens geest eveneens wordt vastgeprikt. Ook worden wel touwtjes ter grootte van de kinderen van de overledene in de kist gelegd, waardoor hij niet terug hoeft te komen om hen te zoeken.

Nog steeds geven Antillianen de voorkeur aan een begrafenis in hun land van herkomst, in de bovengrondse grafkelders die typisch voor Latijns-Amerika zijn. Men hanteert acht dagen van intensieve rouw, waarbij de familie wordt gesteund door een voorbidster van boven de vijftig jaar. Op de achtste dag worden de ramen van het huis opengezet, opdat de geest van de dode kan weggaan, en is er een slotbijeenkomst met rum en sigaren. Op de veertigste dag houdt de familie nog een dienst, maar daarna moet het rouwen voorbij zijn.

Chinezen praten nimmer over de dood, maar zijn er wel bezeten van. Een goed verzorgde begrafenis geldt als het belangrijkste wat iemand in zijn leven kan overkomen. Al ruim van tevoren hebben zij een kist, een lijkwade ('eeuwige kleding') en het benodigde geld klaarliggen; soms verdwijnt hun hele vermogen erin. Tegelijk worden nabestaanden geacht goed voor hun doden te zorgen, omdat doden 'aanwezigen' zijn. Bekend is het verhaal van Chinezen die een heel huis voor hun overleden ouders hebben klaar staan, inclusief draaiende airconditioning. Anderzijds leeft de idee dat doden wel degelijk naar een andere wereld gaan, het Westelijk Paradijs. De reis daarnaar toe duurt zeven weken en voert langs allerlei gevaren, zoals het Dorp met de Hongerige Honden. Chinezen schrijven de mens dus minstens twee zielen toe: de lichamelijke po-ziel, die blijft, en de spirituele hun-ziel, die wegtrekt.

 

denb21


Opening van een Chinese begraafplaats in Rotterdam, september 2000. Ook Den Haag heeft zo'n begraafplaats. (ANP)



De familie leidt de begrafenisrituelen. Zodra iemand is overleden, hangt de familie witte doeken aan de voorzijde van het huis. Wit is de rouwkleur onder Chinezen, al dragen eigen kinderen een zwarte rouwband en aangetrouwden een blauwe (een rode rouwband is voor vrienden). Eerst voeren geslachtsgenoten de wassing uit, waarvoor het water elders moet worden 'gekocht'. Het aantal wassingen is altijd oneven, wat geluk brengt. Ook het aantal lijkwaden is oneven; tegenwoordig beperkt men zich tot drie of vijf lijkwaden, maar vroeger kregen aanzienlijke personen tientallen pakken aan. Om de po-ziel bij het lichaam te houden, sluit men lichaamsopeningen af met stukjes jade of stof. Een mes op het lichaam kan eveneens de ziel beletten te vluchten; een koordje tussen de geschoeide voeten idem dito.

In de kist zet men aan het voeteneind een spiegel, zodat het lijkt alsof er twee doden liggen, wat de dood van iemand anders dood uitstelt. Alles wat in aanraking met het lijk is geweest verdwijnt in de kist, zelfs een haarkam. Een parel of ei tussen de lippen van de dode symboliseert zijn wedergeboorte in het Westelijk Paradijs. Voor de reis daarnaar toe worden er cakejes een koekjes in de kist gelegd, waarmee de Hongerige Honden gevoed kunnen worden, maar men geeft ook wel stokken mee opdat de ziel die honden van zich kan afslaan. Namaakgeld, in verschillende coupures, dient om de demonische bewakers van de onderwereld om te kopen. Het arsenaal aan offers bij een Chinese begrafenis is eindeloos. Tijdens het rouwbezoek schenken de gasten televisies, mobiele telefoons, computers en keukenapparatuur, in replica's van papier wel te verstaan. De replica's en het namaakgeld worden zowel voor als tijdens de begrafenis verbrand.

Even voor de begrafenis gaat een overlijdensbericht de wereld in, dat de geesten van de kwaliteiten van de dode moet overtuigen. Naast de namen van alle verwanten en voorouders, tot drie, vier graden terug, bevat het bericht een onbescheiden loflied op de overledene, waarbij soms zelfs zijn leeftijd is aangedikt. Er wordt tijdens de begrafenis uitvoerig geweeklaagd, vooral door vrouwen, maar als de overledene de zeventig gepasseerd is worden de nabestaanden geacht geen traan te laten. De plaats van het graf is aangewezen door een feng shui-meester, die de juiste doses yin en yang bij elkaar moet brengen. Op weg naar het graf speelt een muziekgroep opzettelijk vals, om de disharmonie te illustreren. Bij het graf gaan eerst grote hoeveelheden namaakgeld en kleren in vlammen op. Een eigenaardigheid is dat Chinezen, die befaamde gokkers zijn, ook bij begrafenissen hardop gokken, opdat de overledene in hun geluk kan delen. Als de kist het graf inzakt, draait men zich om, maar daarna werpt een ieder een handje aarde op de kist. Een snoepje wordt uitgedeeld; het papiertje dat eromheen zat, laat men ter plekke vallen.

Na de begrafenis is er in het sterfhuis een gezamenlijke maaltijd, waarbij andermaal dingen in brand worden gestoken en de aanwezigen een rode geluksdraad om hun rechterpols krijgen. De familie kent twee perioden van rouw: eerst van 49 dagen, daarna van 100 dagen. Maar de overledene zal nooit in de vergetelheid raken. Zijn fotoportret siert het huisaltaar dat veel Chinese Chinezen nog hebben, zo ook de zerk op het graf, dat minstens een maal per jaar wordt bezocht.

Joden achten het aardse leven belangrijker dan het hiernamaals. Al geloven ze in een wederopstanding aan het einde der tijden, ze bezitten slechts een vage voorstelling van de hemel, en een hel met duivels bestaat volgens hen niet, net zomin als de erfzonde. Uitgangspunt bij een begrafenis hoort eenvoud en gelijke behandeling te zijn, want de dood kent geen onderscheid. Het is ook de gemeenschap, in de vorm van vrijwillige begrafeniscolleges, die de verantwoordelijkheid voor de doden draagt, omdat niemand uit een sterfgeval materieel gewin mag halen. Een joodse begrafenis blijft ook onder niet-gelovige joden gezocht, net als de besnijdenis en de eigen huwelijksceremonie. 

 

denb24

Op een terp bij Hardenberg, een van de 230 joodse begraafplaatsen in Nederland. (JHM)


Het bezoeken van een sterfbed geldt als plicht, maar men dient daarbij de nodige distantie te bewaren. Zelfs het opschudden van een kussen is niet gewenst, want dat zou het stervensproces kunnen bespoedigen. Idealiter overlijdt iemand bij bewustzijn, nadat hij zijn belijdenis en biecht hardop heeft uitgesproken. Vervolgens wordt het stoffelijk overschot direct van top tot teen met een laken bedekt, omdat het niet respectvol is een dode in zijn kwetsbare toestand te bekijken. Opbaren kennen joden dan ook niet, al houden zij wel een dodenwake. De wassing, waarmee seksegenoten zich belasten, geschiedt onder het laken en in stilte. In een uniform linnen doodsgewaad - bestaande uit een hemd, een broek en een omslagdoek, een muts, sokken en bij een man zijn gebedsmantel - wordt de dode daarna in een kist gelegd. Die kist hebben joden van christenen overgenomen, want in Israël blijft zij meestal achterwege. Wel dient zij van ongeschaafd en onbeschilderd hout te zijn en geen handvatten te bezitten. Ter herinnering aan de diaspora wordt aarde uit Israël over het lichaam uitgestrooid of in een zakje onder het hoofd gelegd.

Op de dag van de begrafenis brengen orthodoxe joden als teken van rouw een scheur in hun bovenkleren aan, de Keria. Voor overleden ouders wordt die aangebracht links van het hart, voor dito partners en kinderen rechts daarvan. Subtiel is dat bij vrouwen die scheur soms weer wordt dichtgenaaid, voordat zij naar de andere gasten terugkeren. Christenen plachten in de middeleeuwen bij een sterfgeval uit wanhoop en verdriet eveneens hun kleren te verscheuren, maar dit is de gestileerde variant ervan, die teruggaat op aartsvader Jacob.

Bloemen zijn niet gebruikelijk op de kist; alleen in de lijkstoet en op het graf. De begrafenis dient binnen 36 uur plaats te vinden, buiten de stad, vanwege de onreinheid die aan doden verbonden is. Nederland - een weinig bekende cultuurschat - telt maar liefst 230 joodse begraafplaatsen, die in eeuwigdurend recht zijn verworven, opdat de doden de wederopstanding ongestoord kunnen afwachten. Als om die functie aan te duiden heet een joodse begraafplaats in het Hebreeuws ook hoopvol Bet Chajiem: Woning der Levenden. In het Jiddisch spreekt men zelfs van Gedort, oftewel Gut Ort.   

Vrouwen gingen voor de oorlog niet mee naar de begraafplaats; nadien wel, maar zij staan dan apart. Aldaar worden in een 'weenhuis' eerst toespraken gehouden, hesped, waarin de verdiensten van de overledene aan bod komen. Met name protestanten hebben zulke toespraken voor zichzelf lang afgewezen, maar inmiddels in ere hersteld. De kist, bedekt met een zwarte doek, wordt hierna in een rustig tempo naar een vers gedolven graf gebracht. Een joodse begrafenis is een heuse begrafenis: de Belgische variant dat men de kist bovengronds op het kerkhof achterlaat is ondenkbaar. Alle aanwezigen werpen drie scheppen zand op de kist, waarbij zij de schop niet aan elkaar overhandigen maar steeds in de grond steken, want 'de laatste liefdesdaad' dient zonder haast te geschieden. Alleen katholieken hebben dit gebruik overgenomen, in de zin dat zij èèn schep zand op de kist gooien, maar liever: een bloem. Ten slotte spreekt de oudste zoon het kaddiesj, een lofzang op God, uit. Pas dan condoleert men de familie, want de talmoed leert dat nabestaanden beter niet getroost kunnen worden zolang hun dode voor hen ligt.

Het begrafenismaal bestaat slechts uit brood en hardgekookte eieren. De rouwperiode duurt een vol jaar maar kent ettelijke transitiemomenten, om de naasten geleidelijk weer bij het leven te betrekken. De eerste zeven dagen dienen zij in huis te blijven, ongeschoren en onopgemaakt en, wat nog wel voorkomt, zittend op lage stoeltjes of kussens. Na dertig dagen mag bij mannen de rouwbaard eraf en wordt met geloofsgenoten een leeravond gehouden. Feesten, theaterbezoek en nieuwe kleren blijven voor beide geslachten twaalf maanden taboe.

De rouwtijd wordt afgesloten met de plaatsing van een grafsteen: liggend bij de zogeheten sefardische joden uit Spanje en Portugal, zoals te zien is op de beroemde begraafplaats in Oudekerk aan de Amstel; rechtstandig bij de asjekenazi uit Oost-Europa. Dat de stenen nogal eens schots en scheef staan heeft te maken met het feit dat joden geen professionele grafdelvers kennen; nabestaanden horen dit werk zelf te doen. Een typische gewoonte is ook het leggen van een los steentje op de rand van een zerk bij het jaarlijkse grafbezoek. Hoewel de oorsprong daarvan onbekend is, moet dit welhaast een overblijfsel zijn uit de tijd dat joden door de woestijn trokken en met steentjes voorkwamen dat graven van stamgenoten onder het zand verdwenen.


terug naar boven